![]() ![]() |
allel |
1 van de genen van een genenpaar / variant van een gen |
|
autosoom |
chromosoom, dat niet direct betrokken is bij het totstandkomen van het geslacht van een individu, dit in tegenstelling tot een geslachtschromosoom, die heterosoom is |
|
chromosoom |
structuur, die in lineaire volgorde genen bevat. Chromosomen bestaan uit DNA en eiwitten en zijn te zien tijdens mitose en meiose |
|
DNA |
desoxyribonucleïnezuur, een keten (molecuul) opgebouwd uit nucleotiden, die bestaan uit een suiker (desoxyribose) een stikstofbase en een fosfaatgroep |
|
dominant allel |
allel dat altijd tot uiting komt in het fenotype |
|
draagster |
een vrouw die heterozygoot is voor een X-chromosomale eigenschap |
|
fenotype |
de waarneembare eigenschappen van een individu |
|
gameten |
geslachtscellen |
|
gekoppelde overerving |
twee genenparen liggen in hetzelfde chromosomenpaar |
|
gen |
een gedeelte van het chromosoom met gecodeerde informatie voor één erfelijke eigenschap. Een gen bevat de informatie voor een polypeptide (eiwit), dat gewoonlijk een essentiële rol speelt bij het tot stand komen van het fenotype |
|
genetica |
erfelijkheidsleer |
|
genetische modificatie |
veranderen van het DNA van een bepaald organisme, bijv. het overbrengen van DNA van het ene organisme naar het andere. |
|
genoom |
de volledige set genen vane en organisme inclusief niet-coderend DNA |
|
genotype |
de verzameling genen in een cel |
|
gentherapie |
het inbrengen van genetisch materiaal in (menselijke) cellen in het kader van een geneeskundige behandeling. |
|
geslachtsgebonden |
op het X-chromosoom gelegen |
|
hemofilie |
bloederziekte |
|
heterozygoot |
het genenpaar van een eigenschap bestaat uit twee ongelijke genen |
|
homologe chromosomen |
de chromosomen die met elkaar een paar vormen |
|
homozygoot |
het genenpaar van een eigenschap bestaat uit twee gelijke genen |
|
inteelt |
het kruisen van naaste verwanten in een familie |
|
intermediar |
twee ongelijk allelen komne beide tot uiting in het fenotype |
|
karyogram |
een chromosomenportret |
|
karyotype |
de chromosomen van een eukaryote cel naar grootte en in paren gerangschikt |
|
letale factor |
een allel dat geen levensvatbaar individu oplevert als een allelenpaar bestaat uit twee van zulke genen |
|
Mendel |
Johann Mendel is de grondlegger van de genetica |
|
monohybride kruising |
kruising waarbij gelet wordt op de overerving van 1 eigenschap |
|
multipele allelen |
voor 1 erfelijke eigenschap bestaan drie of meer allelen, bijv. bij bloedgroep |
|
mutatie |
verandering in de volgorde van het DNA of RNA |
|
onafhankelijke overerving |
twee eigenschappen liggen op twee verschillende chromosomenparen |
|
onvolledig dominant |
een dominant allel dat bij een heterozygoot individue een recessief gen ook enigzins tot uiting laat komen in het fenotype |
|
polygeen |
meerdere genen bepalen samen een eigenschap |
|
recessief allel |
een allel dat alleen tot uiting komt in het fenotype als er geen dominant allel aanwezig is |
|