| Vervoert zuurstof en voedingsstoffen naar de organen | | |
| Stevigheid geven, organen beschermen en maakt beweging mogelijk | | |
| Beschermt het lichaam tegen infecties en uitdroging | | |
| Opnemen van zuurstof en afgeven van koolstofdioxide | | |
| Filtert afvalstoffen uit het bloed | | |
| Regelt het maken van nakomelingen | | |
| Regelt en stuurt allerlei processen in ons lichaam (o.a. bij voortplanting en groei) | | |
| Opgevangen prikkels uit de omgeving omzetten in impulsen en impulsen doorgeven in het lichaam | | |
| Voortbewegen | | |
| Het kleiner maken van opgenomen voedsel en de voedingsstoffen opnemen in het bloed | | |