Horizontaal |
| 1. | groep van drie nucelotidebasen (triplet), die codeert voor een bepaald aminozuur in een eiwit
|
| 4. | ribonucleïnezuur
|
| 6. | 1 van de genen van een genenpaar / variant van een gen
|
| 7. | is een methode om kleine hoeveelheden van een specifiek stuk DNA een groot aantal keren te vermeerderen |
| 9. | bestaat uit een monosacharide, een stikstofbase en een fosfaatgroep
|
| 11. | techniek waarbij delen van het DNA van verschillende organismen bij elkaar gebracht worden heet .................-DNA-techniek
|
| 12. | enzym dat zorgt dat het dubbelstrengs-DNA uit elkaar 'ritst'
|
| 14. | een ................ organisme is een organisme dat een vreemd gen in zijn erfelijk materiaal draagt
|
| 16. | een verandering in 1 nucleotidepaar
|
| 17. | ...........-RNA is een kort RNA dat de expressie van genen remt door het afbreken of blokkeren van mRNA-moleculen zodat geen translatie meer kan plaats vinden
|
| 18. | ander woord voor het kopieren van DNA |
| 20. | zo noemt ment de spiraalstructuur van DNA |
| 21. | stamcellen die differentiëren tot elk celtype zijn ...................
|
| 22. | een suiker dat in RNA zit i.p.v. de desoxyribose in DNA
|
| 24. | bolvormig organel dat een belangrijke rol speelt bij de eiwitsynthese
|
| 27. | gen dat codeert voor eiwitten die de celgroei en celdifferentiatie stimuleren. Door een mutatie kan een ................. veranderen in een oncogen
|
| 29. | niet coderende stukken DNA in een gen
|
| 30. | Thymine, Adenine, Cytosine, Guanine of Uracil
|
| 32. | de coderende stukken DNA in een gen
|
| 35. | Spontane verandering in het DNA |
| 36. | enzym dat langs de enkelvoudige nucleotideketens schuift tijdens de DNA-replicatie en er voor zorgt dat er DNA dubbelstrengen ontstaan heet DNA-............
|
| 37. | niet coderend DNA heet ook wel ...... - DNA |
| 38. | het verwijderen van een nucleotidepaar in het DNA
|