Horizontaal |
| 1. | de volledige set genen van een organisme inclusief niet-coderend DNA
|
| 5. | kruising waarbij gelet wordt op de overerving van 1 eigenschap, noemt men een ............. kruising
|
| 7. | grondlegger van de genetica |
| 8. | Afschrift van het DNA die gebruikt wordt voor de eiwitsynthese |
| 9. | dit molecuul bestaat uit een monosacharide, een organische base en een fosfaatgroep
|
| 11. | een stikstofbase
|
| 12. | gen die in de loop van de evolutie is verdubbeld of veranderd, waarna deze zijn functie heeft verloren
|
| 13. | niet-coderend DNA noemt men ........... DNA |
| 14. | 1 van de genen van een genenpaar
|
| 15. | een allel dat alleen tot uiting komt in het fenotype als er geen dominant allel aanwezig is, noemt men een .............. allel
|
| 16. | stikstofbase in RNA |
| 17. | boodschapper-RNA; een polynucelotide, dat de basen cytosine, guanine, adenine en uracil bevat. |
| 19. | bloederziekte |
| 22. | twee ongelijk allelen komen beide tot uiting in het fenotype
|
| 23. | erffactor |
| 26. | verandering in de volgorde van het DNA of RNA
|
| 27. | het ...................... DNA wordt via de eicellen doorgegeven |
| 28. | bolvormig organel dat een belangrijke rol speelt bij de eiwitsynthese
|
| 29. | een stikstofbase, gelegen tegenover guanine
|
| 31. | studie van het genoom van een organisme
|
| 32. | het genenpaar van een eigenschap bestaat uit twee ongelijke genen
|
| 33. | chromosoom, dat niet direct betrokken is bij het totstandkomen van het geslacht van een individu, dit in tegenstelling tot een geslachtschromosoom, die heterosoom is
|
| 34. | het ontstaan van nieuwe combinaties van allelen
|
| 35. | individu waarbij geen enkele mutatie in het fenotype tot uitdrukking komt.
|
| 36. | het tot uiting komen van een gen
|
| 37. | erfelijkheidsleer
|