Horizontaal |
| 1. | haploïde cel, die bij meiose tijdens de eicelvorming ontstaat en zich niet tot eicel ontwikkelt
|
| 5. | hormoon dat door de hypofyse wordt afgegeven en het follikel laat groeien |
| 6. | gedrag dat bij veel diersoorten vooraf gaat aan de voortplanting
|
| 7. | een chromosomenportret
|
| 10. | KI-methode, waarbij een zaadcel in een eicel wordt geinjecteerd
|
| 11. | hormoon dat door de achterkwab van de hypofyse wordt afgescheiden en dat bij de geboorte de weeën opwekt en de melksecretie op gang brengt
|
| 12. | samentrekking van de spieren in de baarmoeder
|
| 13. | stadium van de bevalling |
| 14. | deel van het mannelijk voortplantingsstelsel waar bij de zaadleiders en urineleider in uitkomen. Voegt vocht met voedingsstoffen aan de zaadcellen
|
| 17. | In vitro fertilisatie; bevruchting vindt buiten het lichaam plaats
|
| 20. | blaasje met een eicel in de eierstok, dat tijdens de ontwikkeling van een eicel groter wordt en uiteindelijk open barst
|
| 21. | een hormoonklier onder aan de hersenen, die in verbinding staat met de hypothalamus en o.a. stimulerende hormonen afscheidt
|
| 22. | een soa, ook wel druiper genoemd |
| 24. | orgaantje dat aan de zaadcellen een vocht toevoegt de zaadcellen actief maakt
|
| 25. | het ontstaan van eicellen uit een eicelmoedercel
|
| 26. | eierstok |
| 28. | het onderbreken van de zaadleiders bij de man of eileiders bij de vrouw
|
| 29. | kenmerken die vanaf de geboorte al aanwezig zijn, zoals de penis en vagina noemen we ............. geslachtskenmerken
|
| 30. | teelbal |
| 32. | verandering in het DNA van een organisme
|
| 33. | de vorming van zaadcellen
|