Gaswisseling en uitscheiding
Horizontaal |
| 1. | De buitenste laag cellen van het neusslijmvlies bestaat uit ............ | | 3. | Deze liggen in het strottenhoofd | | 5. | Via de ...................... wordt de urine afgevoerd naar de blaas | | 6. | Tussen de longen en de borstkas zitten twee......... | | 7. | In dit onderdeel van de longen vindt de gaswisseling plaats | | 9. | Expiratoir reservevolume | | 10. | Voorkomt dat voedsel van de keelholte in de neus komt | | 12. | In de neus,- en keelholte liggen ........... die stoffen produceren die ziekteverwekkers doden | | 13. | Afrbraakproduct van rode bloedcellen | | 14. | Stof die door de lever gemaakt wordt en de vertering van vetten bevordert | | 15. | Afbraakproduct van aminozuren in de lever | | 16. | Hieraan bindt zuurstof in de rode bloedcellen | | 19. | Alle longblaasjes bij elkaar hebben een heel groot ............... | | 23. | Spier tussen borst,- en buikholte | | 24. | Blijft achter in longen na een maximale uitademing | | 26. | Haarvatenkluwen in een niereenheid | | 28. | De lis van ...... | | 29. | Een niereenheid | | 30. | De ademhaling wordt geregeld vanuit het ademcentrum in de .................. | | 31. | Ziekte aan het ademhalingsstelsel |
|
Verticaal |
| 2. | De ruimte tussen het longvlies en borstvlies is de ................. ruimte | | 4. | Door een hoge ................. worden water met opgeloste stoffen door de nierkapsels geperst | | 8. | De luchtpijp is omgeven door ringen van ......... | | 11. | Plaats in de nier waar de urine wordt verzameld | | 17. | Vocht dat in het nierkapseltje terecht is gekomen na ultrafiltratie | | 18. | Hoeveelheid lucht die bij een rustige ademhaling wordt in,- en uitgeademd. | | 20. | Afkorting voor zuurstofspanning | | 21. | Vitale capacateit | | 22. | De ............. capaciteit is de hoeveelheid lucht die maximaal per ademhaling kan worden ververst | | 25. | Stof die sterk wordt geresorbeerd uit de voorurine | | 27. | De interpleurale ruimte is gevuld met ....... |
|