Twee zwarte ruigharige cavia's paren verscheidene keren met elkaar. Onder hun nakomelingen bevinden zich een wit ruigharig dier en een wit gladharig dier.
Wat zal theoretisch de verhouding zijn tussen witte ruigharige en witte gladharige dieren van deze nakomelingenschap?
wit ruigharig : wit gladharig = 1 : 1
wit ruigharig : wit gladharig = 3 : 1
wit ruigharig : wit gladharig = 1 : 3
wit ruigharig : wit gladharig = 9 : 1
Bij een diersoort komen van twee onafhankelijk overervende genen letale allelen voor: zygoten met het genotype pp en/of qq zijn niet levensvatbaar.
Welk deel van de zygoten zal bij het ouderpaar PpQq x PpQq niet-levensvatbaar zijn?
1/16 deel
4/16 deel
7/16 deel
8/16 deel
Een vrouwelijk zoogdier is heterozygoot voor 5 eigenschappen waarvan de genen niet gekoppeld zijn.
Hoe groot is de kans, dat zij een eicel vormt met uitsluitend de recessieve allelen van de betrokken genen?
1/5
1/16
1/32
1/1024
Een bepaalde plant waarvan de kroonbladeren breed, rood en diep ingesneden zijn, wordt gekruist met een plant waarvan de kroonbladeren smal, wit en niet ingesneden zijn. Er onstaat een F1 waarvan de kroonbladeren ovaal, rose en ondiep ingesneden zijn. Door zelfbestuiving van deze F1 wordt een F2 gekweekt.
Van welk percentage van de F2 kan met zekerheid het genotype voor alle betrokken kenmerken worden vastgesteld?
van 100%
van 75%
van 50%
van 6,25%
Bij kippen is het allel voor een erwtenkam (E) dominant over dat voor een enkelvoudige kam (e); het allel voor gevederde poten (G) is dominant over dat voor kale poten (g).
Een hen met een erwtenkam en gevederde poten wordt gekruist met een haan met een enkelvoudige kam en kale poten. Onder de directe nakomelingen bevinden zich vier verschillende fenotypen.
Wat was het genotype van de hen?
EEGG
EEGg
EeGG
EeGg
Het genotype van een individu is EeFfGGHh.
Hoeveel verschillende geslachtscellen kan dit individu maken?
2
4
8
16
Bekend is dat bij een plantensoort de bloemkleur bepaald wordt door twee genen A en B die niet op eenzelfde chromosoom liggen. Als in een plant van één van beide genen een of meer dominante allelen voorkomen, is de bloemkleur rood. Alleen de dubbel homozygoot recessieve planten hebben witte bloemen.
Bij een kruising tussen een plant met rode bloemen en een met witte bloemen ontstaat een F1 die ook bestaat uit planten met rode en planten met witte bloemen en wel in de verhouding rood : wit = 1 : 1
Welke van de onderstaande mogelijkheden geeft het genotype van de ouders weer?
AABb x aaBB
Aabb x aaBb
AaBb x aabb
Aabb x aabb
Planten met rode, gele erwten worden gekruist met planten met groene, kantige erwten. De allelen voor geel (G) en rond (R) zijn dominant en niet gekoppeld. In de F1 komen vier verschillende fenotypen voor.
Wat is het genotype van de ouderplant met ronde, gele erwten?
GGRR
GgRR
GgRr
GGRr
Bij muizen is het allel E (lange staart) dominant over het allel e (korte staart); het allel F (krullend haar) dominant over het allel f (glad haar).
In de F1 heeft 50% van de vele nakomelingen een lange staart en glad haar en 50% een korte staart en glad haar.
Wat is het genotype van één van de ouders?
EEff
EEFf
Eeff of eeff
eeFf of eeFF
Een plant heeft het genotype QqRr. De betrokken genen zijn niet gekoppeld.
Hoe groot is de kans dat een stuifmeelkorrel van deze plant tegelijkertijd het allel q en het allel R bevat?
25%
50%
75%
100%
Van een dihybride kruising met 2 cavia's: AABB x aabb (A = zwart, a = wit, B = ruw, b = glad) worden de F1 dieren onderling gekruist.
In de F2 is het gedeelte dat zwart en ruwharig is:
1/16
3/16
9/16
3/4
Bij de vorming van de haarkleur van een bepaald diersoort zijn twee allelenparen betrokken, die onafhankelijk van elkaar overerven. Wanneer van die allelenparen uitsluitend recessieve allelen voorkomen (ppqq), is de haarkleur wit. Waneer van één van beide paren een dominant allel voorkomt, is de haarkleur geel. Waneer van ieder allelenpaar tenminste één dominant allel voorkomt, is de haarkleur bruin.
Een bruin en wit dier worden gekruist. Een van de nakomelingen is wit. Wat is het genotype van het bruine ouderdier?
ppQQ
PpQQ
PpQq
ppQq
Bij bananenvliegjes is het allel Q dominant over het allel q. Het allel R is dominant over het allel r. De genen zijn niet gekoppeld.
Bij welke van onderstaande kruisingen kunnen individuen ontstaan die homozygoot zijn voor beide recessieve allelen?
Qqrr x QQrr
QqRr x qqRR
qqRR x QQrr
QqRr x qqRr
Een bepaalde plantensoort heeft drie allelen voor de bloemkleur: de dominante allelen E(r) voor rood en E(b) voor blauw en het recessieve allel e voor wit. Een plant met het genotype E(r) E(b)heeft paarse bloemen.
Er zijn bij deze plantensoort twee allelen voor bloemgrootte: het dominante allel G voor grote bloemen en het recessieve allel g voor kleine bloemen.
Een kruising van twee individuen levert talrijke nakomelingen op met acht verschillende fenotypen; 75% van de nakomelingenschap is grootbloemig. Wat zijn de fenotypen van de met elkaar gekruiste individuen?
paars-grootbloemig en paars-grootbloemig
paars-grootbloemig en wit-kleinbloemig
rood-grootbloemig en blauw-grootbloemig
rood-grootbloemig en wit-kleinbloemig
Onderstaand schema geeft het proces weer waardoor bij druiven kleurstof ontstaat:
In dit schema zijn met 1 en 2 enzymen aangeduid. Voor de vorming van enzym 1 is het dominante allel E nodig en voor de vorming van enzym 2 het dominante allel F. Twee planten die blauwe druiven produceren, worden onderling bestoven (kruisbestuiving). Onder de nakomelingen bevinden zich planten die blauwe druiven produceren en planten die gele druiven produceren.
Welke van onderstaande genotypen van de ouderplanten geven dit resultaat?
EeFF x EeFF
eeFF x EEFF
EEFf x EEFf
EEFf x EeFF
Bij fruitvliegen komt een dominant, X-chromosomaal allel Q voor dat staafvormige ogen veroorzaakt. Allel q veroorzaakt normale ogen. Het dominante, niet X-chromosomale allel R veroorzaakt normale vleugels en het allel r veroorzaak kleine vleugels. Een mannetje wordt gekruist met twee verschillende vrouwtjes (1 en 2) met als resultaten:
1) alle nakomelingen hebben normale vleugels; 50% van zowel de mannetjes als vrouwtjes heeft staafvormige ogen en de andere 50% normale ogen 2) alle nakomelingen hebben staafvormige ogen; 75% heeft normale vleugels en de overige 25% heeft kleine vleugels.
Wat is het genotype van het mannetje?
X(Q)Y RR
X(Q)Y Rr
X(q)Y RR
X(q)Y Rr
Bij muizen komen de volgende allelen voor: allel H veroorzaakt beharing, allel h veroorzaakt kaalheid. Allel R veroorzaakt bruine haren en allel r witte. De genoemde allelen zijn niet X-chromosomaal en niet gekoppeld. Twee muizen met het genotype HhRr krijgen nakomelingen.
Hoe groot is de kans dat het eerstgeboren jong een bruine vacht zal hebben?
1/4
1/2
9/16
3/4
Bij halsbandparkieten komen verschillende allelen voor kleur voor. De normale groene kleur wordt veroorzaakt door het samen voorkomen van het dominante X-chromosomale allel X(B) en het dominante niet-X-chromosomale allel G. Als het dominante allel X(B) ontbreekt, ontstaat er een lutino (= gele) parkiet. Als het dominante allel G ontbreekt, ontstaat er een blauwe parkiet. Albino parkieten hebben als genotype X(b)X(b) gg of X(b)Y gg. Bij vogels hebben vrouwtjes de geslachtschromosomen X en Y; mannetjes X en X. Onder de talrijke nakomelingen van twee lutino parkieten bevinden zich albino parkieten.