Index biologiepaginaindex vwo 4 biologie

evolutie vwo 4 biologie voor jou

 
info biologiepagina uitleg biologie oefenen biologie bestanden biologie computer pc les biologie

 

adaptatie
aanpassing
aeroob
met zuurstof
allelfrequentie
(genfrequentie); het percentage waarmee een bepaald allel deel uitmaakt van de genenpool in een populatie
allopatrische soortsvorming
een manier van soortvorming waarbij dochtersoorten ontstaan uit een vooroudersoort, als er een duidelijk aanwijsbare ruimtelijke scheiding is tussen de dochterpopulaties en de oudersoort die wordt veroorzaakt door geologische verschijnselen of migratie. Door die scheiding kunnen de dochterpopulaties zich op den duur ontwikkelen tot aparte soorten.
anaeroob
zonder zuurstof
analoge organen
gelijkenis die samenhangt met overeenkomst in functie en niet met de afstamming van een gemeenschappelijke voorouder; bijv. De vleugel van een vlinder is analoog aan de vleugel van een vogel.
anorganische stof
kleine, eenvoudige moleculen. Komen zowel voor in organismen als de levenloze natuur
archaea
ook wel oerbacteriën of archaebacteriën genoemd, zijn een domein van prokaryotische organismen, die meestal onder extreme omstandigheden leven.
asymmetrisch
niet door een of meer vlakken in twee helften te verdelen, die elkaars spiegelbeeld zijn.
autotroof
m.b.v. zonlicht in staat zijn chemische energie vast te leggen met fotosynthese / uit anorganische stoffen organische stoffen kunnen maken
bedektzadigen
van planten waarvan de zaden in zich in een vrucht ontwikkelen.
bilateraal
tweezijdig
binaire naamgeving
wetenschappelijke naamgeving van organismen, bestaande uit een geslachtsnaam en soortsnaam
biogenese
het ontstaan van leven uit levenloze materie
cellulose
suikerketen die bestandsdeel is van celwanden
chitine
hoornachtige stof die in het skelet van geleedpotigen zit en in de celwand van schimmels
chloroplast
bladgroenkorrel
clade
een groep soorten bestaande uit een voorouder en alle nakomelingen daarvan
cladogram
schematische weergave van de verwantschap tussen soorten van een clade, inclusief de gemeenschappelijke voorouder
conjugatie
de overdracht van DNA van de ene cel op een andere cel, en één van de vormen van genetische uitwisseling
creationisme
theorie die uitgaat van de schepping
cyanobacterie
bacterie met chlorofyl die dus autotroof is
cyste
een ondoorlaatbaar, beschermend kapsel om een endospore
DNA-replicatie
verdubbeling van het DNA; kopieren van het DNA
domein
de levende natuur wordt ingedeeld in 3 domeinen: bacterie, archaea en eukaryoten
endoplasmatisch reticulum
ingewikkeld netwerk van dubbele membranen in de cel, dienend als transportkanalen
endoskelet
inwendig skelet
endospore
overlevingsmanier van een bacterie onder extreme omstandigheden. Bevat een stuk DNA van de bacterie en iets cytoplasma.
endosymbiosetheorie
theorie volgens welke oorspronkelijk vrijlevende prokaryoten als organellen (i.c. mitochondriën en chloroplasten) in andere cellen zijn gaan leven. Zo zouden eukaryote cellen zijn ontstaan
eukaryoot
bij dit organisme ligt het DNA in de celkern (cel bevat organellen)
evolutie
ontwikkeling van het leven op aarde waarbij soorten ontstaan, veranderen en verdwijnen
exoskelet
uitwendig skelet
extinctie
uitsterven
fitness
aangepastheid voor zover deze een bijdrage levert aan het voortplantingssucces van een individu. Individuen die bevoordeeld worden door selectie hebben een grotere fitness dan andere individuen.
fontanel
een opening tussen de delen waaruit de schedel is opgebouwd (de schedelbeenderen)
fossiel
resten of afdruk van uitgestorven organismen.
foundereffect
het optreden van genetic drift doordat een klein deel van een populatie zich vestigt in een nieuw gebied
gene flow
het verschijnsel dat tussen individuen van twee populaties van dezelfde soort uitwisseling van genen plaats vindt
genenpool
de verzameling van alle allelen in een populatie
generatio spontanea
het ontstaan van levende wezens uit levenloze materie.
genetic drift
veranderingen in de allelenfrequenties ( genfrequenties) binnen een bepaalde populatie tengevolge van toevalsfluctuaties. In een kleine populatie is de genetic drift groter.
genotype
de verzameling genen in een cel
genus
geslacht (meervoud genera)
gidsfossiel
fossiele soort, die dankzij een grote horizontale (geografische) verspreiding en een geringe verticale verspreiding geschikt is voor de identificatie van een bepaalde aardlaag.
gist
eencellige schimmel
haploïd
met een enkel (n) stel chromosomen per kern. Geslachtscellen(gameten) zijn voorbeelden van haploide cellen 
heterotroof
andere organismen nodig voor organische stoffen (niet zelf kunnen maken uit anorganische stoffen)
homologe organen
overeenkomst in bouw, gelijkenis als gevolg van afstamming van een gemeenschappelijke voorouder. Voorbeeld: alle pootskeletten van gewervelden zijn homoloog.
hyfe
schimmeldraad
imago
naam voor een volwassen insect
immigratie
aankomst en vestiging van een individu in een gebied of populatie.
intelligent design
gaat er van uit dat de ontwikkeling van leven niet door toeval alleen verklaard kan worden, maar ook door de aanname dat er een intelligent wezen bij betrokken is
isolatie
een deel van een populatie raakt gescheiden en vormt een nieuwe populatie
Linnaeus
Zweeds bioloog die de wetenschappelijke naamgeving heeft opgezet
locus
plaats van een gen in een chromosoom (meervoud loci)
macro-evolutie
het ontstaan van nieuwe soorten en groepen organismen
metamorfose
gedaanteverwisseling
micro-evolutie
de verandering van allelfrequenties in een populatie
mitochondrium
organel waarin verbranding plaats vindt (vrij maken van energie)
mutant
organisme met een bepaalde mutatie die in het fenotype tot uiting komt
mutatie
verandering in de volgorde van het DNA of RNA
mycelium
netwerk van hyfen/schimmeldraden
naaktzadigen
plant waarbij de zaden onbedekt op de schub van een kegel of andere structuur liggen
natuurlijke selectie
verschijnsel dat individuen met een beter aan het milieu aangepast genotype een grotere overlevingskans en voortplantingskans hebben en daardoor meer in de populatie zullen voorkomen dan andere.
neodarwinistische evolutietheorie
gaat uit van genetische variatie (verscheidenheid in genotypen), natuurlijke selectie en soortsvorming door reproductieve isolatie
organel
deel van een cel met eigen bouw en functie
organische stof
afkomstig van organismen. Relatief grote, ingewikkelde moleculen. Bevatten altijd een of meer koolstofatomen. O.a. koolhydraten, eiwitten en vetten
paleontologie
de wetenschap die zich bezighoudt met het verzamelen en bestuderen van fossielen
pathogeen
ziekteveroorzakend
penicilline
een antibioticum
plasmide
kringvormig chromosoom bij een bacterie
polyploïd
drie of meer malen het haploïde aantal chromosomen bezittend. Triploïde individuen of cellen bezitten 3 maal een chromosomenset en tetraploïde individuen vier maal een haploïd stel chromosomen.
populatie
groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied die zich onderling voortplanten
primaten
orde van zoogdieren, waartoe mensen, mensapen, apen en halfapen behoren.
prokaryoot
bij dit organisme ligt het DNA los in de cel (bij de archae en bacterien)
protisten
alle organismen die niet tot de planten, de schimmels, de dieren of de prokaryoten kunnen worden gerekend. Protisten zijn veelal eencellig.
radiaal
straalsgewijs
recombinatie
het ontstaan van nieuwe combinaties van allelen
reproductieve isolatie
bij deze vorm van isolatie vindt gedurende lange tijd geen voortplanting plaats tussen twee populaties
resistentie
erfelijke weerstand. Resistente individuen ontstaan door mutatie, resistente populaties ontstaan door selectie.
rijk
een domein wordt ingedeeld in rijken
rudimentaire organen
rudimentaire organen zijn restanten van organen die bij verre voorouders nog een functie hadden en die in de loop van de evolutie hun functie hebben verloren.
sediment
sediment of afzetting is de benaming voor door wind, water en/of ijs getransporteerd materiaal.
segment
deel van een geleed lichaam.
selectiedruk
invloed van milieufactoren, waardoor genfrequenties veranderen.
sikkelcelanemie
erfelijke ziekte waarbij, door een afwijkende samenstelling van hemoglobine, rode bloedcellen een sikkelvorm aannemen. Het gevolg is zuurstoftekort en een versnelde afbraak van rode bloedcellen.
soort
organismen die onderling kunnen voortplanten en daarbij vruchtbare nakomelingen krijgen
species
soort
sporen
(voortplantings)cel die zich tot een individu kan ontwikkelen zonder eerst te versmelten met een andere cel. Sporen worden geproduceerd door planten, schimmels en sommige protozoën. Bij bacteriën spreekt men ook van spore als de bacteriecel zich ingekapseld heeft.
stam
rijken worden weer onderverdeeld in stammen
survival of the fittest
natuurlijke selectie; alleen de best aangepaste organismen overleven
sympatrische soortsvorming
een bepaalde manier waarop soortvorming plaatsvindt. Sympatrische soortvorming is een begrip dat aangeeft dat een dochtersoort kan ontstaan uit een vooroudersoort, zonder dat er een geografische barrière, zoals een rivier, bergketen of zee, tussen de toekomstige dochtersoorten zit. Het woord zegt het eigenlijk al: er vindt soortvorming plaats terwijl de populaties samen (sym) een (vader-)land (patris) blijven delen
taxa (enkelvoud taxon)
systematische eenheid, bijv. een soort, geslacht, familie,orde, klasse of afdeling.
vacuole
blaasje gevuld met vocht in de cel, o.a. voor stevigheid