![]() ![]() |
actief transport |
transport waarvoor energie nodig is |
|
adenine |
een stikstofbase |
|
aminozuur |
organische stoffen met carboxyl- en aminogroepen. Ongeveer 20 aminozuren spelen een rol als grondstof voor de synthese van eiwitten |
|
amyloplast |
zetmeelkorrel |
|
anafase |
verdeling van de chromatiden, waarbij van elk chromosoom de ene chromatide naar de ene en de andere chromatide naar de andere pool gaat |
|
ATP |
adenosinetrifosfaat, energierijk molecuul |
|
basenparing |
de stikstofbasen van de beide nucleotidenketens zijn twee aan twee met elkaar verbonden. (A met T, en C met G) |
|
celcyclus |
opeenvolging van fasen in een zich delende cel. De celcyclus bestaat uit de mitose en de interfase. In de interfase zijn te onderscheiden de G1-, S- en G2-fase |
|
celdifferentiatie |
proces, waarbij cellen steeds meer gaan verschillen in vorm en functie. Celdifferentiatie treedt op bij de ontwikkeling van een meercellig individu |
|
cellulose |
bestandsdeel van celwanden |
|
celmembraan |
dun vlies rondom cel bestaande uit twee lagen fosfolipiden |
|
celskelet |
een netwerk van vezellige eiwitten in de cel; geeft vorm en langs cytoskelet worden stoffen en organellen vervoerd |
|
celstrekking |
cel groeit vooral in lengte doordat deze meer vocht opneemt in de vacuole |
|
celwand |
stevige laag om de cel bestaande uit cellulose, geen onderdeel van de cel |
|
centriole |
organel dat een rol speelt bij de celdeling en waaruit eiwitdraden onstaan om de chromosomen te splitsen |
|
centromeer |
deel van een chromosoom, waar de twee zusterchromatiden aan elkaar verbonden zijn. Bij de kerndeling hecht aan het centromeer de spoeldraad vast |
|
centrosoom |
in dierlijke cellen ligt net buiten de kernenvelop het centrosoom (spoellichaampje), dat zich bij de kerndeling verdubbelt, waarna elk centrosoom zich langzaam naar één kant van de kern beweegt. Geleidelijk ontwikkelt zich in de buurt van elk van de centrosomen een structuur van draden, het spoelfiguur |
|
chlolorofyl |
bladgroen |
|
chloroplasten |
bladgroenkorrels, hierin vindt fotosynthese plaats |
|
chromatide |
Eén van de twee helften van een chromosoom, die bij het centromeer aan elkaar verbonden zijn. In de vroegste stadia van de celdeling zijn de chromatiden als overlangse helften van een chromosoom te zien |
|
chromoplasten |
kleurstofkorrels in planten |
|
chromosoom |
structuur, die in lineaire volgorde genen bevat. Chromosomen bestaan uit DNA en eiwitten en zijn te zien tijdens mitose en meiose |
|
concentratie |
de hoeveelheid opgeloste stoffen |
|
cytoplasma |
stroperige vloeistof in de cel die bestaat uit water met allerlei opgeloste stoffen en organellen |
|
cytosine |
een stikstofbase |
|
desoxyribose |
een suiker met 5 C-atomen per molecuul, bestanddeel van DNA |
|
diffusie |
verplaatsing van een stof van een hoge concentratie naar een lage concentratie |
|
DNA |
desoxyribonucleïnezuur, een keten (molecuul) opgebouwd uit nucleotiden, die bestaan uit een suiker (desoxyribose) een stikstofbase en een fosfaatgroep |
|
DNA-sequentie |
volgorde van de vier bouwstenen waaruit DNA is opgebouwd |
|
DNA-synthese |
replicatie van DNA; verdubbeling van het DNA tijdens de S-fase van de interfase |
|
eiwitsynthese |
proces, waarbij uit aminozuren polypeptiden (eiwitten) worden gemaakt. Dit gebeurt aan de ribosomen met behulp van mRNA |
|
endocytose |
proces waarbij cellen een klein deeltje insluiten |
|
endoplasmatisch reticulum |
ingewikkeld netwerk van dubbele membranen in de cel, dienend als transportkanalen |
|
enzymen |
biokatalysator. Organische stof die stofwisselingsprocessen versnelt zonder zelf verbruikt te worden |
|
exocytose |
uit- of afscheiding van stoffen uit de cel door middel van blaasjes, die met het celmembraan versmelten |
|
fosfolipide |
bouwsteen van het celmembraan, bevat een hydrofobe staart en hydrofiele kop |
|
G1-fase |
periode tussen de mitose en DNA-synthese, waarin plasmagroei plaatsvindt |
|
G2-fase |
periode tussen de S-fase en de mitose |
|
gefaciliteerd transport |
transport via de eiwitpoorten in het celmembraan; is passief |
|
gen |
een gedeelte van het chromosoom met gecodeerde informatie voor één erfelijke eigenschap. Een gen bevat de informatie voor een polypeptide (eiwit), dat gewoonlijk een essentiële rol speelt bij het tot stand komen van het fenotype |
|
glad ER |
Endoplasmatisch reticulum zonder ribosomen |
|
golgi-systeem |
organel waarin o.a. eiwitten worden opgeslagen en uiteindelijk vorm gegeven / opeenstapeling van platte blaasjes, elk omgeven door een membraan |
|
grondplasma |
cytoplasma zonder organellen |
|
guanine |
een stikstofbase |
|
hydrofiel |
waterminnend |
|
hydrofoob |
waterafstotend |
|
hypertoon |
de osmotische waarde van het externe milieu is hoger t.o.v. het interne milieu |
|
hypotoon |
de osmotische waarde van het externe milieu is lager t.o.v. het interne milieu |
|
intercellulaire ruimte |
ruimte gevuld met lucht of water die ligt tussen de celwanden |
|
interfase |
de fase tussen twee celdelingen in |
|
isotoon |
de osmotische waarde van het interne en externe milieu is gelijk |
|
kernmembraan |
buitenste laag van het kernplasma |
|
kernporie |
opening in het kernmembraan |
|
leukoplasten |
kleurloze korrels in planten, die zich nog kunnen ontwikkelen tot chromoplasten, chloroplasten of zetmeelkorrels |
|
lysosomen |
blaasjes die door het golgisysteem worden gevormd en verteringsenzymen bevatten |
|
metafase |
stadium van de kerndeling tijdens mitose en meiose. In het metafasestadium liggen de chromosomen in het equatorvlak |
|
metastase |
verschijnsel dat cellen of weefselbestanddelen van een tumor via het bloedvatenstelsel op een andere plaats terechtkomen en daar aanleiding geven tot het ontstaan van nieuwe tumoren |
|
M-fase |
M-fase of mitose is de fase waarin de kerndeling plaatsvindt. De M-fase bestaat uit profase, metafase, anafase en telofase |
|
mitochondrium |
organel waarin verbranding plaats vindt (vrij maken van energie) |
|
mitose |
kerndeling waardoor twee kernen ontstaan die hetzelfde genotype hebben als de oorspronkelijke kern |
|
nucleotide |
bestanddeel van nucleïnezuren. Een nucleotidemolecuul bestaat uit een monosacharide, een organische base en een fosfaatgroep |
|
orgaan |
deel van een organisme met een of meerdere functies |
|
organel |
deel van een cel met een bepaalde functie |
|
osmose |
diffusie van water door een semi-permeabel membraan |
|
osmotische waarde |
totale hoeveelheid opgeloste deeltjes in een bepaalde volume-eenheid |
|
passief transport |
transport waarvoor geen energie nodig is |
|
permeabel |
doorlaatbaar |
|
plasmolyse |
verschijnsel waarbij de cel(membraan) loslaat van de celwand |
|
plastiden |
korrels in plantencellen (chloroplasten, chromoplasten en leukoplasten) |
|
polypeptide |
aminozuurketen |
|
profase |
eerste fase van de celdeling (mitose of meiose), waarbij de chromosomen zich spiraliseren en zichtbaar worden |
|
receptor |
een cel die gespecialiseerd is in het opnemen van specifieke prikkels en opwekken van impulsen onder invloed van de prikkels. De term receptor wordt ook wel gebruikt in de zin van receptoreiwit of receptormolecuul |
|
regelgenen |
genen die coderen voor de eiwitten die genen aan of uitzetten |
|
ruw ER |
Endoplasmatisch reticulum met ribosomen |
|
secretie |
het afgeven van stoffen door cellen |
|
selectief permeabel |
bepaalde stoffen gaan selectief door het membraan, andere stoffen worden tegen gehouden |
|
semi-permeabel membraan |
membraan dat alleen water doorlaat en geen opgeloste stoffen (half-doorlaatbaar) |
|
S-fase |
periode waarin DNA-synthese plaatsvindt |
|
spoelfiguur |
structuur van trekdraden en steundraden vanuit tegenover elkaar liggende delen van de cel (de polen) naar de centromeren van de chromosomen. Deze spoelfiguur ontstaat tijdens de kerndeling |
|
stamcellen |
1. Cel in het rode beenmerg waaruit zich rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes ontwikkelen, 2) (Embryonale) cel, waaruit zich weefsels ontwikelen |
|
stopcodon |
codon of triplet in mRNA dat niet codeert voor een aminozuur, maar het einde aangeeft van de eiwitsynthese |
|
telofase |
laatste fase in de kerndeling, waarbij de chromosomen weer despiraliseren |
|
triplet |
groep van drie nucelotidebasen (codon), die codeert voor een bepaald aminozuur in een eiwit |
|
tumor |
kwaadaardig gezwel |
|
turgescent |
een cel met turgor |
|
turgor |
druk van de cel op de celwand |
|
vacuole |
blaasje gevuld met vocht in de cel, o.a. voor stevigheid |
|
weefsel |
groep cellen met dezelfde vorm en functie |
|
weefselvloeistof |
het vocht buiten de cellen en buiten de haarvaten |
|