Als de aarde bij een aardappelplant gedeeltelijk wegspoelt, kan een aardappel boven de grond komen. Het gedeelte boven de aarde wordt groen. Dit komt doordat plastiden in elkaar overgaan. Welke verandering bij plastiden treedt op in een deel van een aardappel dat boven de grond komt?
chloroplasten worden chromoplasten
chloroplasten worden leukoplasten
leukoplasten worden chromoplasten
leukoplasten worden chloroplasten
In welke plastiden vindt de fotosynthese plaats?
in de chloroplasten
in het bladgroen
in de chromoplasten
in de zetmeelkorrels
In een plantencel kunnen de volgende onderdelen voorkomen: 1 chloroplasten 2 leukoplasten 3 chromoplasten 4 vacuolen Welke van deze onderdelen kunnen de rode kleur geven aan een plant?
alleen 3
alleen 3 en 4
alleen 1, 2 en 3
alleen 4
Waar wordt de intercellulaire ruimte voor gebruikt?
voor de stofwisselingsprocessen
voor het transport van water
voor de stevigheid
voor het transport van gassen
Onderdelen in een cel zijn: 1) ribosomen 2) leukoplast 3) celwand 4) grote vacuolen Welke onderdelen komen alleen voor in plantaardige cellen?
alleen 2 en 3
alleen 2, 3 en 4
1, 2, 3 en 4
alleen 3
Uit onderzoek aan een cel, die in het midden van een wortel zat, blijkt dat hij veel plastiden bevat. Welke plastiden zullen dat zeer waarschijnlijk zijn geweest?
chloroplasten en leukoplasten
chloroplasten en chromoplasten
chloroplasten, chromoplasten en leukoplasten
alleen amyloplasten (zetmeelkorrels)
Hiernaast staat een schema van een cel. Welk cijfer geeft het endoplasmatisch reticulum aan?
4
2
9
1
Hiernaast staat een schema van een cel. Wat wordt met 3 aangegeven?
een mitochondrium
een vacuole
het golgi-apparaat
een lysosoom
Hiernaast staat schematisch een cel afgebeeld. Wat is de functie van onderdeel 4?
eiwitsynthese
transport van stoffen
regeling stofwisseling
energie vrijmaken
Men onderzoekt het aantal organellen in de cellen van een aantal organen. In welke organen zullen waarschijnlijk de meeste lysosomen per cel aanwezig zijn?
hersenen
huid
speekselklieren
beenspieren
Hiernaast staat schematisch een cel afgebeeld. Wat is het hoofdbestanddeel van 7?
cellulose
fosfolipiden
eiwitten
koolhydraten
cholesterol
In een levende zonnebloem vindt transport plaats van glucose van de ene cel naar de andere. Door welk proces gaat glucose door de celmembranen van de cellen?
door fagocytose
door osmose
door diffusie
door actief membraantransport
Hiernaast staat een celmembraan schematisch getekend. Op welke plaats bevinden zich transportenzymen?
1
3
4
5
Hiernaast staat een celmembraan schematisch getekend. Door welk onderdeel passeren vetmoleculen het celmembraan?
1
2
3
4
Drie reageerbuizen worden gevuld met oplossingen van keukenzout (NaCl) van verschillende concentraties. Buis 1 bevat een 0,2% NaCl-oplossing, buis 2 bevat een 0,9% NaCl-oplossing en buis 3 bevat een 1,7% NaCl-oplossing. In elk van deze buizen wordt een stukje van hetzelfde verse weefsel ondergedompeld. De stukjes weefsel zijn allemaal even groot en rood van kleur. Voordat ze in de buizen zijn gedaan, zijn ze eerst goed afgespoeld totdat ze geen kleurstof meer afgeven. Na een half uur wordt het experiment beëindigd. De oplossing in buis 1 is licht rood geworden. De oplossingen in buis 2 en 3 zijn kleurloos gebleven.
Leerling 1 beweert dat de cellen in buis 3 groter zijn dan in oplossing 2.
Leerling 2 beweert dat de cellen in de buizen 2 en 3 een celwand hebben, zodat ze geen invloed ondervinden van het veranderen van de osmotische waarde van de omgeving. Welke leerling heeft of welke leerlingen hebben gelijk?
geen van de leerlingen
alleen leerling 1
alleen leerling 2
Beide leerlingen
Drie reageerbuizen worden gevuld met oplossingen van keukenzout (NaCl) van verschillende concentraties. Buis 1 bevat een 0,1% NaCl-oplossing, buis 2 bevat een 0,9% NaCl-oplossing en buis 3 bevat een 1,5% NaCl-oplossing. In elk van deze buizen wordt een stukje van hetzelfde verse weefsel ondergedompeld. De stukjes weefsel zijn allemaal even groot en rood van kleur. Voordat ze in de buizen zijn gedaan, zijn ze eerst goed afgespoeld totdat ze geen kleurstof meer afgeven. Na een half uur wordt het experiment beëindigd. De oplossing in buis 1 is licht rood geworden. De oplossingen in buis 2 en 3 zijn kleurloos gebleven.
Leerling 1 beweert dat osmotische waarde in de cellen van buis 3 hoger is dan die in de cellen in oplossing 1.
Leerling 2 beweert dat de turgor van de cellen van buis 3 lager is dan die van de cellen in buis 2. Welke leerling heeft of welke leerlingen hebben gelijk?
geen van de leerlingen
alleen leerling 1
alleen leerling 2
beide leerlingen
Een druppel menselijk bloed wordt verdund met eenzelfde hoeveelheid gedestilleerd water. Wat gebeurt er dan met de rode bloedcellen?
Ze veranderen niet.
Ze krijgen een grotere turgor.
Ze verschrompelen
Ze zwellen op
Jam kan worden geconserveerd door er veel suiker aan toe te voegen. Waarop berust deze conserveringsmethode?
Op het onttrekken van suiker aan de vruchten.
Op het verlagen van de osmotische waarde van vruchten.
Op het ophopen van bacteriële stofwisselingsproducten.
Op het onttrekken van water aan bacteriën en schimmels.
Men legt enkele cellen uit een normale aardappel in gedestilleerd water. Wat gebeurt er met de osmotische waarde van de cellen? En met de turgor?
De osmotische waarde en turgor veranderen niet.
De osmotische waarde neemt af en de turgor neemt toe
De osmotische waarde en turgor nemen af.
De osmotische waarde en turgor nemen toe.
Een normale plantencel wordt in een ruime NaCl-oplossing van 5% gelegd. Op een bepaald moment laat het celmembraan los van de celwand. Na enige tijd verandert de cel niet meer, er is een ruimte ontstaan tussen celwand en celmembraan. Wat bevindt zich in deze ruimte?
een NaCl-oplossing met een lagere osmotische waarde dan die van 5%
zuiver water
lucht
een NaCl-oplossing van 5%
Een bepaalde plantencel heeft een turgor die maximaal is. Hij verandert niet meer van grootte. Is de osmotische waarde buiten de cel groter dan, kleiner dan of gelijk aan die in de cel?
gelijk
kleiner
groter
In de afbeelding hiernaast is onder andere een cel met celwand van een plant weergegeven. De celwand bestaat uit cellulose dat opgebouwd wordt uit glucosemoleculen met behulp van het enzym cellulosesynthase. Dit enzym wordt in de cel gevormd en naar het plasmamembraan getransporteerd. Voor de opbouw van de primaire structuur van cellulosesynthase en voor de bewerking tot actief enzym, zijn achtereenvolgens twee organellen verantwoordelijk. Noem deze twee in de afbeelding zichtbare organellen.
Golgi-systeem en vacuole
Ruw Endoplasmatisch Reticulum en Golgi-systeem
Lysosomen en Amyloplasten
Celmembraan en lysosomen
De cel in de afbeelding ligt in een zoutoplossing en heeft turgor. Er is evenwicht bereikt. Drie plaatsen zijn aangegeven met de letters P, Q en R Op welke van deze plaatsen is de osmotische waarde het hoogst?
P
Q
R
Kijk naar onderstaande afbeelding: Wat wordt aangegeven met nummer 2?
Golgi-systeem
Lysosoom
Ruw Endoplasmatisch Recticulum (ER met ribosomen)
Mitochondrium
Een bepaalde cel wordt achtereenvolgens in drie verschillende keukenzoutoplossingen gelegd en bij dezelfde vergroting getekend (zie de afbeelding). Hierbij blijft de cel levend. In welke figuur heeft de getekende cel de grootste stevigheid?
1
2
3
Welke twee organellen zijn betrokken bij de eiwitsynthese in het cytoplasma?
Plastiden en mitochondrien
Golgi-systeem en ribosomen
ER en ribosomen
ER en Golgi-systeem
In het grondplasma van een zenuwcel is de K+ concentratie veel hoger dan buiten de cel. Welk transportproces maakt dit mogelijk?
Diffusie
Actief transport
Endocytose
Exocytose
Welke van deze drie uitspraken zijn juist? 1) Bacterien hebben geen vacuole, schimmels wel 2) Bacterien en schimmels hebben beide mitochondrien 3) Bacterien hebben geen celkern, schimmels wel
Alleen 1 en 2
Alleen 2 en 3
Alleen 1 en 3
Allemaal juist
De stoffen die een mitochondrium gebruikt voor het uitoefenen van zijn functie zijn:
Water en zuurstof
Zuurstof
Water, zuurstof en glucose
Glucose en zuurstof
Welke uitspraak over enzymen is of zijn juist?
Een ribosoom kan eiwitten maken met behulp van RNA-moleculen.
Welke bouwstenen plakt een ribosoom aan elkaar om een eiwit te maken?
Welke uitspraken zijn juist over het celskelet?
Iemand heeft suikerziekte (diabetes). In welk organel zal deze patient als eerste gevolgen ondervinden van het gebrek aan glucose?
Mitochondrium
Golgi-systeem
RER
Ribosoom
Celkern
Welke uitspraken zijn juist?
1 Het mRNA bindt aan een ribosoom van het RER 2 Een mRNA-molecuul wordt gemaakt in de celkern 3 in het ER wordt de aminozuurketen tot een echt eiwit gevouwen 4 mRNA-molecuul verlaat de celkern 5 het ribosoom plakt de aminozuren in de juiste volgorde aan elkaar vast 6 de eiwitten worden opgeslagen in het Golgi-systeem
Zet de getallen achter elkaar in de juiste volgorde:
Welke uitspraken zijn juist over dit organel?
Een onderzoeker wil celmembranen bestuderen. Voor het onderzoek is het gewenst dat alleen celmembranen of stukken van celmembranen worden verkregen zonder de rest van de cellen. Hij gebruikt hiervoor rode bloedcellen die hij op 1 van onderstaande vier manieren behandelt. Na behandeling centrifugeert hij de oplossing, omdat hij de celmembranen wil scheiden van de rest van de oplossing. Op welke manier verkrijgt hij de celmembranen die hij wenst?
Een half uur in een oplssing van eiwitverterende enzymen
Een half uur in een oplossing van vetverterende enzymen
Een half uur in een zeer sterke zoutoplossing
een half uur in gedetilleerd water
Een turgescente cel ligt reeds 30 minuten in een zoutoplossing; de cel verandert niet meer van uiterlijk. Hoe is de osmotische waarde van de oplossing ten opzichte van de osmotische waarde van een turgescente cel?
De oplossing is hypotonisch t.o.v. de cel
De oplossing is hypertonisch t.o.v. de cel
De oplossing is isotonisch t.o.v. de cel
De oplossing is hypotonisch of isotonisch t.o.v. de cel
Vier gelijke plantencellen uit hetzelfde weefsel bevinden zich ieder een kwartier in een bepaalde oplossing. In welke van onderstaande oplossingen is na dat kwartier de turgor het hoogst?
Cel 1 bevindt zich in een oplossing van 0,1 mol C6H12O6 per liter water
Cel 2 bevindt zich in een oplossing van 0,05 mol C6H12O6 per liter water
Cel 3 bevindt zich in een oplossing van 0,1 mol KNO3 per liter water
Cel 4 bevindt zich in een oplossing van 0,05 mol KNO3 per liter water
Tijdens een practicum met een lichtmicroscoop bestuderen leerlingen cellen. Wim maakt de volgende tekening:
De docent die het verslag nakijkt, schrijft erbij, dat Wim moet tekenen wat hij ziet en er niets bij moet tekenen wat hij zich van een elektronenmicroscopische foto herinnert. Wat kan Wim beslist niet gezien hebben?
de celkern met het kernlichaampje
het cytoplasma
het endoplasmatisch reticulum
de vacuole
In een experiment werden gelijke stukjes opperhuidweefsel van een verse ui in keukenzoutoplossingen van verschillende concentraties gelegd. Na 30 minuten werden de stukjes weefsel onder de microscoop bekeken. Van elk stukje werden 100 cellen bekeken en er werd geteld hoeveel van deze cellen plasmolyse hadden ondergaan. Het aantal geplasmolyseerde cellen werd in een diagram uitgezet tegen de concentratie.
Welk diagram geeft een juiste weergave van zijn resultaten?
A
B
C
D
Van twee verschillende stoffen wordt het transport door een celmembraan heen naar binnen in een cel bestudeerd. Deze stoffen worden verbruikt zodra ze zich in de cel bevinden. In het diagram is weergegeven welke invloed de concentraties van stof 1 en 2 buiten de cel hebben op de transportsnelheid van deze stoffen door het celmembraan heen.
Welke uitspraak is waar?
Uit de afbeelding blijkt dat beide stoffen actief worden getransporteerd
Uit de afbeelding blijkt alleen dat stof 1 actief wordt getransporteerd
Uit de afbeelding blijkt alleen dat stof 2 actief wordt getransporteerd
Uit de afbeelding blijkt dat geen van beide stoffen actief worden getransporteerd
Vier leerlingen hebben ieder een tekening gemaakt van een geplasmolyseerde cel. In deze tekeningen stelt 1 de celkern, 2 de celmembraan, 3 de vacuolemembraan en 4 het cytoplasma voor. In welke tekening zijn de onderdelen juist genummerd en is de ligging der onderdelen juist weergegeven?
A
B
C
D
Van twee epidermiscellen van een ui was de osmotische waarde van het vacuolevocht gelijk. In de tekening zie je het resultaat nadat beide cellen evenlang in zoutoplossingen met verschillende concentraties gelegen hebben.
Uit deze situatie kan met afleiden, dat de osmotische waarde:
in de vacuole van cel 1 hoger is dan die van cel 2
in de vacuole van cel 2 hoger is dan die van cel 1
bij X hoger is dan die van de oplossing buiten de celwand
bij X lager is dan die van de oplossing buiten de celwand
Van een aantal staafjes uit een verse aardappel wordt de lengte bepaald (de beginlengte). Hierna worden de staafjes over zoutoplossingen van verschillende concentraties verdeeld. Na 24 uur in een oplossing gelegen te hebben, wordt elk staafje gemeten (de eindlengte). Deze eindlengte van elk staafje wordt uitgedrukt als percentage van zijn beginlengte. Het diagram geeft het verband weer tussen eindlengtes en de concentraties van de zoutoplossingen waarin de staafjes hebben gelegen.
VBij welk van de concentraties P, Q en R is aan het eind van de proef de concentratie van opgeloste deeltjes in de aardappelcellen gelijk aan de concentratie van de zoutoplossing?
alleen bij P
alleen bij R
bij P en Q
bij Q en R
Een rode bloedcel van een kikker bevindt zich in een bepaalde oplossing en ziet en dan uit zoals figuur 1. Na toevoeging van een stof aan deze oplossing treedt een duidelijke vormverandering op (zie figuur 2). Welke stof zal dit geweest zijn?