Index biologiepaginaindex vwo 4 biologie

voortplanting vwo 4 biologie nectar

 
info biologiepagina uitleg biologie oefenen biologie bestanden biologie computer pc les biologie

 

AIDS
Acquired Immuno Deficiency Syndrome; naam voor de latere stadia van een HIV-infectie, waarbij het aantal witte bloedcellen verminderd is en er veel secundaire infecties voorkomen
Amnion
binnenste van de vliezen, die het embryo van reptielen, vogels en zoogdieren omhullen. 
Amnionholte
er ontwikkelt zich, naast de al bestaande dooierzak, een tweede holte gevuld met vocht, dit is de amnionholte
Anticonceptie
methode om zwangerschap te voorkomen
Bevruchting
het versmelten van de kern van een eicel met de kern van een zaadcel
Bevruchtingsmembraan
membraan dat de eicel afsluit nadat deze bevrucht is door 1 zaadcel. Hierdoor kunnen andere zaadcellen niet meer binnen komen
Chlamydia
seksueel overdraagbare aandoening; bacterie-infectie
Chorion
buitenste vlies om het embryo van reptielen, vogels en zoogdieren. Bij de zoogdieren speelt het chorion een rol bij de vorming van de placenta. 
Coitus Interruptus
terugtrekken van de psnis voordatde man een zaadlozing krijgt
Diploïd
(=2n) Twee chromosomensets per kern (cel). Elk stel chromosomen komt van één ouder. Chromosomen komen dus voor in paren.
Dooierblaasje
vormt de eerste bloedcellen en uit de cellen van de kiemschijf tussen dooierblaasje en amonionholte vormt zich het embryo
Embryo
kiem; 1. Jong plantje binnen een zaad 2. Ontwikkelingstadium van een dier binnen een ei of in de baarmoede.
Foetus
foetus of ouder embryo, bij een foetus zijn de organen al aangelegd. Zo noem je het embryo na 8 weken
Follikel
blaasje met een eicel in de eierstok, dat tijdens de ontwikkeling van een eicel groter wordt en uiteindelijk open barst
FSH
follikelstimulerend hormoon, hormoon dat door de hypofyse wordt afgescheiden en in de eierstokken o.a. de follikelrijping stimuleert
Gameten
geslachtscellen (eicellen en zaadcellen)
Gele lichaam
onderdeel van een eierstok, dat gevormd wordt uit de follikel na eisprong en zorgt voor progesteronproductie 
Geslachtelijke voortplanting
reproductie waarbij twee ouderlijke individuen betrokken zijn
Gonorroe
seksueel overdraagbare aandoening; bacterie-infectie; ook wel druiper genoemd
Haploïd
met een enkel (n) stel chromosomen per kern. Geslachtscellen(gameten) zijn voorbeelden van haploide cellen 
HCG
Humaan Chorion Gonadotrofine Hormoon, een hormoon dat door het kiemblaasje (blastocyste) gevormd wordt en dezelfde werking heeft als LH. Onder invloed van HCG wordt de productie van oestrogeen en progesteron voortgeze
Hechtsteel
de verbinding tussen de trofoblast en kiemschijf, waardoor het transport van stoffen plaats vindt. 
Herpes (genitalis)
een seksueel overdraagbare aandoening (soa). De oorzaak is een virus. Bij een besmetting komen er blaasjes op de huid en slijmvliezen van de penis, de vagina en de anus
HIV
Human Immunodeficiency Virus, virus dat de ziekte aids veroorzaakt
Hormonen
chemische stoffen die door hormoonklieren aan het bloed worden afgegeven en processen in het lichaam regelen
Hypofyse
hypofyse of hersenaanhangsel is een hormoonklier onder aan de hersenen, die in verbinding staat met de hypothalamus en o.a. stimulerende hormonen afscheidt. Stimulerende hormonen stimuleren de werking van andere hormoonklieren
Hypothalamus
gedeelte van de tussenhersenen. De hypothalamus staat in verbinding met de hypofyse en regelt door de afscheiding van neurohormonen de werking van de hypofyse
ICSI
KI-methode, waarbij een zaadcel in een eicel wordt geinjecteerd
Indaling
stadium van de bevalling, waarbij het hoofdje van de foetus in de bekkenholte komt te liggen
Innesteling
het moment dat de bevruchte eicel zich innestelt in de baarmoeder
Interstitiele cellen
cellen tussen de zaadbuisjes die o.a. testosteron produceren
IVF
In vitro fertilisatie; bevruchting vindt buiten het lichaam plaats ("reageerbuisbevruchting")
Karyogram
een chromosomenportret
Kiemschijf
laag cellen in de zygote die de embryo gaan vormen. 
Klievingsdelingen
celdelingen waarbij geen celgroei optreedt. 
Kloon
een genetisch identieke nakomeling
LH
LH of Luteïniserend Hormoon is een hormoon, dat afgescheiden wordt door de voorkwab van de hypofyse en invloed heeft op de interstitiele cellen in de testes en de follikel in een eierstok
Meiose
meiose of reductiedeling is een combinatie van opeenvolgende kerndelingen, waardoor haploïde kernen ontstaan uit een diploïde kern. Meiose omvat meiose I en meiose II
Mentruatie
periodieke (maandelijkse) baarmoederbloeding bij de meeste primaten
Nageboorte
de placenta, navelstrengresten en de vruchtvliezen verlaten het lichaam van de moeder
Navelstreng
streng die het embryo van zoogdieren verbindt met de placenta. De navelstreng bevat twee slagaders en een ader
Oestrogeen
door de eierstok afgescheiden hormoon, dat ontwikkeling van de geslachtsorganen, de vrouwelijke geslachtskenmerken en de groei van het baarmoederslijmvlies stimuleert en tevens de afscheiding van FSH door de hypofyse remt
Ongeslachtelijke voortplanting
reproductie waarbij 1 ouderlijk individu betrokken is
Ontsluiting
stadium van de bevalling, waarbij de baarmoedermond wijder wordt en de vruchtvliezen breken
Oöcyt
eicel
Oöcyt
ontwikkelingstadium van een eicel. Oöcyten van de 1 e orde zijn oöcyten voor de afloop van de eerste meiotische deling, oöcyten van de tweede orde zijn oöcyten na afloop van de eerste meiotische deling. 
Oögenese
het ontstaan van eicellen uit een eicelmoedercel
Oogonia
door mitosen onstaan in de overia een paar miljoen diploide oogonia
Ovarium
eierstok
Ovulatie
eisprong; het openbarsten van een follikel waardoor een eicel vrijkomt
Oxytocine
hormoon dat door de achterkwab van de hypofyse wordt afgescheiden en dat bij de geboorte de weeën opwekt en de melksecretie op gang brengt.
Periodieke onthouding
geen geslachtsgemeenschap tijdens de vruchtbare periode
Placenta
placenta of Moederkoek is een orgaan dat is ontstaan uit de buitenkant van het embryoblaasje en het baarmoederslijmvlies, dat zorgt voor uitwisseling van stoffen tussen het bloed van de moeder en dat van het kind
Poollichaampje
haploïde cel, die bij meiose tijdens de eicelvorming ontstaat en zich niet tot eicel ontwikkelt. Van de vier haploïde cellen die bij meiose ontstaan ontwikkelt zich slechts een tot eicel. De drie andere worden poollichaampjes genoemd en gaan te gronde
Primaire geslachtskenmerken
kenmerken die vanaf de geboorte al aanwezig zijn, zoals de penis en vagina
Progesteron
hormoon geproduceerd door het gele lichaam in een eierstok of door de placenta.
Prolactine
hormoon afgescheiden door de voorkwab van de hypofyse. Prolactine stimuleert de melkafscheiding na de bevalling
Prostaat
deel van het mannelijk voortplantingsstelsel waar bij de mens de zaadleiders en urineleider in uitkomen. De prostaat voegt vocht met voedingsstoffen aan de zaadcellen
Prostaglandinen
hormonen die o.a. de samentrekking van het spierweefsel in de baarmoederwand stimuleren
Proteaseremmers
eiwitremmers
Scrotum
balzak
Secundaire geslachtskenmerken
kenmerken die pas tijdens de puberteit ontstaan
Seksualiteit
menselijke gevoelens en handelingen die een rol spelen bij lust en opwinding
Soa
seksueel overdraagbare aandoening, een infectieziekte
Spermatocyten
tijdens de spermatocytogenese ondergaan de spermatogonia, een soort stamcellen, mitose. Hierdoor ontstaan er meer spermatogonia. Een deel van deze spermatogonia blijft zich delen, een ander deel niet: De cellen die zich differentiëren tot spermatocyten.
Spermatogenese
de vorming van zaadcellen
Spiraliseren
het zichtbaar worden van het chromsoom
SRY-gen
gen op Y-chromosoom dat reeks andere genen activeert en embryo zich mannelijk ontwikkelt
Sterilisatie
het onderbreken van de zaadleiders bij de man of eileiders bij de vrouw
Syfilis
seksueel overdraagbare aandoening met zweertjes aan slijmvliezen en verlammingen en aantastingen van hersenen in een vergevorderd stadium
Testis
teelbal
Testosteron
mannelijk geslachtshormoon, die de mannelijke secundaire geslachtskenmerken veroorzaakt
Trofoblast
de buitenste laag van de blastula bij zoogdieren. De trofoblast zorgt voor innesteling in het baarmoederslijmvlies
Viral load
de hoeveelheid virusdeeltjes per mL bloed
Vlokkentest
bij een vlokkentest neemt men wat chorionvilli af. Dit zijn kleine uitstulpingen van de placenta. Het onderzoek wordt doorgaans vanaf de 10e zwangerschapsweek uitgevoerd, om aandoeningen bij de foetus op te kunnen sporen
Vruchtvlies
vlies om het embryo (de foetus)
Vruchtwater
vocht om een embryo (foetus); beschermt o.a. teggen stoten en uitdroging
Vruchtwaterpunctie
een prenataal onderzoek waarbij een beetje vruchtwater van een zwangere vrouw wordt afgenomen voor onderzoek. Na de punctie worden de cellen van de foetus die zich in het vruchtwater bevinden opgekweekt waarna het chromosomenpatroon in gespecialiseerde laboratoria kan worden onderzocht. Hiermee kunnen chromosomale afwijkingen, bijvoorbeeld het syndroom van Down worden opgespoord
Wee
samentrekking van de spieren in de baarmoeder
Zaadblaasje
orgaantje dat aan de zaadcellen een vocht toevoegt de zaadcellen actief maakt
Zygote
bevruchte eicel, die ontstaat door versmelting van twee gameten