![]() ![]() |
AIDS |
Acquired Immuno Deficiency Syndrome; naam voor de latere stadia van een HIV-infectie, waarbij het aantal witte bloedcellen verminderd is en er veel secundaire infecties voorkomen |
|
Amnion |
binnenste van de vliezen, die het embryo van reptielen, vogels en zoogdieren omhullen. |
|
Amnionholte |
er ontwikkelt zich, naast de al bestaande dooierzak, een tweede holte gevuld met vocht, dit is de amnionholte |
|
Anticonceptie |
methode om zwangerschap te voorkomen |
|
Bevruchting |
het versmelten van de kern van een eicel met de kern van een zaadcel |
|
Bevruchtingsmembraan |
membraan dat de eicel afsluit nadat deze bevrucht is door 1 zaadcel. Hierdoor kunnen andere zaadcellen niet meer binnen komen |
|
Chlamydia |
seksueel overdraagbare aandoening; bacterie-infectie |
|
Chorion |
buitenste vlies om het embryo van reptielen, vogels en zoogdieren. Bij de zoogdieren speelt het chorion een rol bij de vorming van de placenta. |
|
Coitus Interruptus |
terugtrekken van de psnis voordatde man een zaadlozing krijgt |
|
Diploïd |
(=2n) Twee chromosomensets per kern (cel). Elk stel chromosomen komt van één ouder. Chromosomen komen dus voor in paren. |
|
Dooierblaasje |
vormt de eerste bloedcellen en uit de cellen van de kiemschijf tussen dooierblaasje en amonionholte vormt zich het embryo |
|
Embryo |
kiem; 1. Jong plantje binnen een zaad 2. Ontwikkelingstadium van een dier binnen een ei of in de baarmoede. |
|
Foetus |
foetus of ouder embryo, bij een foetus zijn de organen al aangelegd. Zo noem je het embryo na 8 weken |
|
Follikel |
blaasje met een eicel in de eierstok, dat tijdens de ontwikkeling van een eicel groter wordt en uiteindelijk open barst |
|
FSH |
follikelstimulerend hormoon, hormoon dat door de hypofyse wordt afgescheiden en in de eierstokken o.a. de follikelrijping stimuleert |
|
Gameten |
geslachtscellen (eicellen en zaadcellen) |
|
Gele lichaam |
onderdeel van een eierstok, dat gevormd wordt uit de follikel na eisprong en zorgt voor progesteronproductie |
|
Geslachtelijke voortplanting |
reproductie waarbij twee ouderlijke individuen betrokken zijn |
|
Gonorroe |
seksueel overdraagbare aandoening; bacterie-infectie; ook wel druiper genoemd |
|
Haploïd |
met een enkel (n) stel chromosomen per kern. Geslachtscellen(gameten) zijn voorbeelden van haploide cellen |
|
HCG |
Humaan Chorion Gonadotrofine Hormoon, een hormoon dat door het kiemblaasje (blastocyste) gevormd wordt en dezelfde werking heeft als LH. Onder invloed van HCG wordt de productie van oestrogeen en progesteron voortgeze |
|
Hechtsteel |
de verbinding tussen de trofoblast en kiemschijf, waardoor het transport van stoffen plaats vindt. |
|
Herpes (genitalis) |
een seksueel overdraagbare aandoening (soa). De oorzaak is een virus. Bij een besmetting komen er blaasjes op de huid en slijmvliezen van de penis, de vagina en de anus |
|
HIV |
Human Immunodeficiency Virus, virus dat de ziekte aids veroorzaakt |
|
Hormonen |
chemische stoffen die door hormoonklieren aan het bloed worden afgegeven en processen in het lichaam regelen |
|
Hypofyse |
hypofyse of hersenaanhangsel is een hormoonklier onder aan de hersenen, die in verbinding staat met de hypothalamus en o.a. stimulerende hormonen afscheidt. Stimulerende hormonen stimuleren de werking van andere hormoonklieren |
|
Hypothalamus |
gedeelte van de tussenhersenen. De hypothalamus staat in verbinding met de hypofyse en regelt door de afscheiding van neurohormonen de werking van de hypofyse |
|
ICSI |
KI-methode, waarbij een zaadcel in een eicel wordt geinjecteerd |
|
Indaling |
stadium van de bevalling, waarbij het hoofdje van de foetus in de bekkenholte komt te liggen |
|
Innesteling |
het moment dat de bevruchte eicel zich innestelt in de baarmoeder |
|
Interstitiele cellen |
cellen tussen de zaadbuisjes die o.a. testosteron produceren |
|
IVF |
In vitro fertilisatie; bevruchting vindt buiten het lichaam plaats ("reageerbuisbevruchting") |
|
Karyogram |
een chromosomenportret |
|
Kiemschijf |
laag cellen in de zygote die de embryo gaan vormen. |
|
Klievingsdelingen |
celdelingen waarbij geen celgroei optreedt. |
|
Kloon |
een genetisch identieke nakomeling |
|
LH |
LH of Luteïniserend Hormoon is een hormoon, dat afgescheiden wordt door de voorkwab van de hypofyse en invloed heeft op de interstitiele cellen in de testes en de follikel in een eierstok |
|
Meiose |
meiose of reductiedeling is een combinatie van opeenvolgende kerndelingen, waardoor haploïde kernen ontstaan uit een diploïde kern. Meiose omvat meiose I en meiose II |
|
Mentruatie |
periodieke (maandelijkse) baarmoederbloeding bij de meeste primaten |
|
Nageboorte |
de placenta, navelstrengresten en de vruchtvliezen verlaten het lichaam van de moeder |
|
Navelstreng |
streng die het embryo van zoogdieren verbindt met de placenta. De navelstreng bevat twee slagaders en een ader |
|
Oestrogeen |
door de eierstok afgescheiden hormoon, dat ontwikkeling van de geslachtsorganen, de vrouwelijke geslachtskenmerken en de groei van het baarmoederslijmvlies stimuleert en tevens de afscheiding van FSH door de hypofyse remt |
|
Ongeslachtelijke voortplanting |
reproductie waarbij 1 ouderlijk individu betrokken is |
|
Ontsluiting |
stadium van de bevalling, waarbij de baarmoedermond wijder wordt en de vruchtvliezen breken |
|
Oöcyt |
eicel |
|
Oöcyt |
ontwikkelingstadium van een eicel. Oöcyten van de 1 e orde zijn oöcyten voor de afloop van de eerste meiotische deling, oöcyten van de tweede orde zijn oöcyten na afloop van de eerste meiotische deling. |
|
Oögenese |
het ontstaan van eicellen uit een eicelmoedercel |
|
Oogonia |
door mitosen onstaan in de overia een paar miljoen diploide oogonia |
|
Ovarium |
eierstok |
|
Ovulatie |
eisprong; het openbarsten van een follikel waardoor een eicel vrijkomt |
|
Oxytocine |
hormoon dat door de achterkwab van de hypofyse wordt afgescheiden en dat bij de geboorte de weeën opwekt en de melksecretie op gang brengt. |
|
Periodieke onthouding |
geen geslachtsgemeenschap tijdens de vruchtbare periode |
|
Placenta |
placenta of Moederkoek is een orgaan dat is ontstaan uit de buitenkant van het embryoblaasje en het baarmoederslijmvlies, dat zorgt voor uitwisseling van stoffen tussen het bloed van de moeder en dat van het kind |
|
Poollichaampje |
haploïde cel, die bij meiose tijdens de eicelvorming ontstaat en zich niet tot eicel ontwikkelt. Van de vier haploïde cellen die bij meiose ontstaan ontwikkelt zich slechts een tot eicel. De drie andere worden poollichaampjes genoemd en gaan te gronde |
|
Primaire geslachtskenmerken |
kenmerken die vanaf de geboorte al aanwezig zijn, zoals de penis en vagina |
|
Progesteron |
hormoon geproduceerd door het gele lichaam in een eierstok of door de placenta. |
|
Prolactine |
hormoon afgescheiden door de voorkwab van de hypofyse. Prolactine stimuleert de melkafscheiding na de bevalling |
|
Prostaat |
deel van het mannelijk voortplantingsstelsel waar bij de mens de zaadleiders en urineleider in uitkomen. De prostaat voegt vocht met voedingsstoffen aan de zaadcellen |
|
Prostaglandinen |
hormonen die o.a. de samentrekking van het spierweefsel in de baarmoederwand stimuleren |
|
Proteaseremmers |
eiwitremmers |
|
Scrotum |
balzak |
|
Secundaire geslachtskenmerken |
kenmerken die pas tijdens de puberteit ontstaan |
|
Seksualiteit |
menselijke gevoelens en handelingen die een rol spelen bij lust en opwinding |
|
Soa |
seksueel overdraagbare aandoening, een infectieziekte |
|
Spermatocyten |
tijdens de spermatocytogenese ondergaan de spermatogonia, een soort stamcellen, mitose. Hierdoor ontstaan er meer spermatogonia. Een deel van deze spermatogonia blijft zich delen, een ander deel niet: De cellen die zich differentiëren tot spermatocyten. |
|
Spermatogenese |
de vorming van zaadcellen |
|
Spiraliseren |
het zichtbaar worden van het chromsoom |
|
SRY-gen |
gen op Y-chromosoom dat reeks andere genen activeert en embryo zich mannelijk ontwikkelt |
|
Sterilisatie |
het onderbreken van de zaadleiders bij de man of eileiders bij de vrouw |
|
Syfilis |
seksueel overdraagbare aandoening met zweertjes aan slijmvliezen en verlammingen en aantastingen van hersenen in een vergevorderd stadium |
|
Testis |
teelbal |
|
Testosteron |
mannelijk geslachtshormoon, die de mannelijke secundaire geslachtskenmerken veroorzaakt |
|
Trofoblast |
de buitenste laag van de blastula bij zoogdieren. De trofoblast zorgt voor innesteling in het baarmoederslijmvlies |
|
Viral load |
de hoeveelheid virusdeeltjes per mL bloed |
|
Vlokkentest |
bij een vlokkentest neemt men wat chorionvilli af. Dit zijn kleine uitstulpingen van de placenta. Het onderzoek wordt doorgaans vanaf de 10e zwangerschapsweek uitgevoerd, om aandoeningen bij de foetus op te kunnen sporen |
|
Vruchtvlies |
vlies om het embryo (de foetus) |
|
Vruchtwater |
vocht om een embryo (foetus); beschermt o.a. teggen stoten en uitdroging |
|
Vruchtwaterpunctie |
een prenataal onderzoek waarbij een beetje vruchtwater van een zwangere vrouw wordt afgenomen voor onderzoek. Na de punctie worden de cellen van de foetus die zich in het vruchtwater bevinden opgekweekt waarna het chromosomenpatroon in gespecialiseerde laboratoria kan worden onderzocht. Hiermee kunnen chromosomale afwijkingen, bijvoorbeeld het syndroom van Down worden opgespoord |
|
Wee |
samentrekking van de spieren in de baarmoeder |
|
Zaadblaasje |
orgaantje dat aan de zaadcellen een vocht toevoegt de zaadcellen actief maakt |
|
Zygote |
bevruchte eicel, die ontstaat door versmelting van twee gameten |
|