![]() ![]() |
allel |
1 van de genen van een genenpaar / variant van een gen |
|
autosoom |
chromosoom, dat niet direct betrokken is bij het totstandkomen van het geslacht van een individu, dit in tegenstelling tot een geslachtschromosoom, die heterosoom is |
|
basenparing |
de stikstofbasen van de beide nucleotidenketens zijn twee aan twee met elkaar verbonden. (A met T, en C met G) |
|
cholesterol |
tot de sterolen behorende vetachtige stof, die in de meeste dierlijke weefsels en lichaamsvloeistoffen voorkomt en een bestanddeel is van dierlijke celmembranen |
|
chromosoom |
structuur, die in lineaire volgorde genen bevat. Chromosomen bestaan uit DNA en eiwitten en zijn te zien tijdens mitose en meiose |
|
co-dominant |
wanneer twee dominante allelen beide tot uitdrukking komen |
|
crossing-over |
Uitwisseling van twee homologe delen tussen twee van de vier chromatiden van homologe chromosomen tijdens de profase van meiose-I |
|
DNA |
desoxyribonucleïnezuur, een keten (molecuul) opgebouwd uit nucleotiden, die bestaan uit een suiker (desoxyribose) een stikstofbase en een fosfaatgroep |
|
dominant allel |
allel dat altijd tot uiting komt in het fenotype |
|
draagster |
een vrouw die heterozygoot is voor een X-chromosomale eigenschap |
|
epigenetica |
de studie van wijzigingen in de genexpressie zonder dat er wijzigingen in de dna-sequentie plaats vinden |
|
erffactor |
een gen |
|
F1-generatie |
de eerste generatie nakomelingen |
|
fenotype |
de waarneembare eigenschappen van een individu |
|
gameten |
geslachtscellen |
|
gekoppelde overerving |
twee genenparen liggen in hetzelfde chromosomenpaar |
|
gen |
een gedeelte van het chromosoom met gecodeerde informatie voor één erfelijke eigenschap. Een gen bevat de informatie voor een polypeptide (eiwit), dat gewoonlijk een essentiële rol speelt bij het tot stand komen van het fenotype |
|
genetica |
erfelijkheidsleer |
|
genetische modificatie |
genetische modificatie is het kunstmatig veranderen van het genoom van een organisme op een manier die door voortplanting of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is. Bij genetische modificatie worden meestal één gen of enkele genen in het genoom van een organisme ingebracht. Deze genen kunnen afkomstig zijn van dezelfde soort als het organisme, maar er kunnen ook genen van andere soorten gebruikt worden. |
|
genexpressie |
het tot uiting komen van een gen |
|
genoom |
de volledige set genen vane en organisme inclusief niet-coderend DNA |
|
genotype |
de verzameling genen in een cel |
|
gentherapie |
het inbrengen van genetisch materiaal in (menselijke) cellen in het kader van een geneeskundige behandeling |
|
haplotype |
de combinatie waarin allelen op 1 chromosoom voorkomen |
|
heterosoom |
een geslachtschromosoom (X of Y) |
|
heterozygoot |
het genenpaar van een eigenschap bestaat uit twee ongelijke genen |
|
homozygoot |
het genenpaar van een eigenschap bestaat uit twee gelijke genen |
|
intermediar |
twee ongelijk allelen komne beide tot uiting in het fenotype |
|
karyogram |
een chromosomenportret |
|
karyotype |
de chromosomen van een eukaryote cel naar grootte en in paren gerangschikt |
|
klonering |
het gebruiken van gedeelten van organismen voor de productie van nieuwe individuen. Hierdoor ontstaan nieuwe organismen die dezelfde genetische samenstelling hebben als het oorspronkelijke organisme. |
|
letale factor |
een allel dat geen levensvatbaar individu oplevert als een allelenpaar bestaat uit twee van zulke genen |
|
Mendel |
Johann Mendel is de grondlegger van de genetica |
|
modificatie |
een verandering in het fenotype door een milieufactor, waarbij het genotype niet veranderd wordt |
|
monohybride kruising |
kruising waarbij gelet wordt op de overerving van 1 eigenschap |
|
monosomie |
een chromosoom komt niet als paar voor maar in enkelvoud |
|
multipele allelen |
voor 1 erfelijke eigenschap bestaan drie of meer allelen, bijv. bij bloedgroep |
|
mutant |
individu waarbij een of meer genen mutatie hebben ondergaan en waarbij dit ook in het fenotype blijkt. |
|
mutatie |
verandering in de volgorde van het DNA of RNA |
|
nurture |
opvoeding en omgeving |
|
onafhankelijke overving |
de twee genenparen liggen in verschillende chromosomen |
|
onvolledig dominant |
een dominant allel dat bij een heterozygoot individue een recessief gen ook enigzins tot uiting laat komen in het fenotype |
|
P-generatie |
de ouders |
|
polygeen |
onder invloed van verschillende genen |
|
recessief allel |
een allel dat alleen tot uiting komt in het fenotype als er geen dominant allel aanwezig is |
|
recombinatie |
het ontstaan van nieuwe combinaties van allelen |
|
transgeen |
een gen van een ander soort organisme |
|
transgeen organisme |
een organisme dat een vreemd gen (een transgen ) in zijn erfelijk materiaal draagt. Meestal gaat het om modelorganismen die in laboratoria met speciale biotechnologische technieken genetisch werden gewijzigd. |
|
translocatie |
twee chromosomen hebben een stuk uitgewisseld en dat stuk is verplaatst naar een ander chromosoom |
|
trisomie |
een chromosoom komt niet als paar voor maar in drievoud |
|
wildtype |
individu waarbij geen enkele mutatie in het fenotype tot uitdrukking komt. Het fenotype komt voornamelijk tot stand door dominante allelen. |
|