Index biologiepaginaindex vwo 5 biologie

regeling en waarneming vwo 5 nectar biologie

 
info biologiepagina uitleg biologie oefenen biologie bestanden biologie computer pc les biologie

 

accommodatie
instelling van ogen op ver of dichtbij zien, zodat de beelden scherp op het netvlies komen
actief transport
verplaatsing van een stof door een biologisch membraan tegen het concentratieverval of tegen een elektrochemische gradiënt in, door middel van energietoevoer en speciale transporteiwitten
adenohypofyse
hypofysevoorkwab
adequate prikkel
prikkel, die bij een zintuig past. Voor deze prikkel is de drempelwaarde van het zintuig het laagst
ADH
antidiuretisch hormoon, hormoon dat de terugresorptie van water in de nierkanaaltjes stimuleert
adrenaline
hormoon dat door het bijniermerg wordt afgescheiden. Adrenaline wordt ook door zenuwvezels van het sympathische zenuwstelsel afgescheiden
animaal zenuwstelsel
regelt vooral je bewuste reacties
antagonist
spier (of ander orgaan) waarvan de werking tegengesteld is aan een andere spier (of ander orgaan)
autonoom zenuwstelsel
(vegatatieve) zenuwstelsel dat de zogenaamde autonome functies regelt. Autonome functies vinden onafhankelijk van wilsinvloeden plaats
axon
uitloper van een zenuwcel die impulsen van het cellichaam af geleiden (= neuriet)
bewegingszenuwcellen
geleiden impulsen van het centrale zenuwstelsel naar spieren en klieren
biceps
armbuigspier
bijziend
het alleen dichtbij kunnen zien - te compenseren met negatieve lenzen
blinde vlek
plaats waar de oogzenuw het netvlies verlaat en waar geen kegeltjes of staafjes voorkomen. De blinde vlek bevindt zich aan de neuszijde van de gele vlek
cel van Schwann
cel die de myelineschede, mergschede, om een zenuwceluitloper vormen
centraal zenuwstelsel
de grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam en ruggenmerg
conductor
zenuwcel, geleider
convergeren
het naar elkaar toe bundelen van licht door een bolle/postieve lens
corticosteroiden
hormonen zoals cortisol geproduceerd door het bijnjerschors, onderdrukken o.a. het afweersysteem
dendriet
uitlopers van een zenuwcel die impulsen naar het cellichaam toe geleiden
diabetes
ziekte waarbij de regeling van het bloedsuikergehalte verstoord is, meestal door een tekort aan het hormoon insuline (Suikerziekte)
divergeren
het spreiden van licht door een holle/negatieve lens
drempelwaarde
minimale sterkte van een prikkel die effect heeft, de prikkeldrempel
dwarsgestreepte spieren
spieren die aan delen van het skelet vastzitten en die delen kunnen laten bewegen, ook wel skeletspieren
effector
spier of klier
eilandjes van Langerhans
celgroepjes in de alvleesklier die voor de vorming van de hormonen insuline en glucagon zorgen
endocriene klier
klier die zijn product afgeeft aan het bloed
epo
erytroproteine, hormoon dat de vorming van rode bloedcellen stimuleert
excitatie
stimulering van een zenuwcel
exocriende klier
klier die zijn product afgeeft via een afvoerbuis
fotoreceptor
zintuigcel gevoelig voor licht
gele vlek
gedeelte van het netvlies, waarmee het scherpst kan worden gezien
genregulatie
is in de biologie de sturing van de genexpressie. De genregulatie bepaalt de concentratie van een door een gen gecodeerd eiwit in een cel.
gevoelszenuwcellen
geleiden impulsen van zintuigcellen naar het centrale zenuwstelsel
gewenning
proces, waarbij steeds minder op prikkels wordt gereageerd. Dit treedt op bij continue prikkels. De impulsfrequentie neemt af
gladde spier
spier dieaangestuurd wordt door het autonome zenuwstelsel, o.a. in de wanden van het darmkanaal
gliacellen
zijn cellen die in het zenuwstelsel voorkomen en de neuronen verzorgen. De verhouding gliacellen/zenuwcellen is ongeveer 10:1. In tegenstelling tot de neuronen zijn gliacellen wel in staat zich te delen.
glucagon
hormoon gevormd in de alvleesklier in de eilandjes van Langerhans. De werking is tegengesteld aan de werking van insuline. Glucagon verhoogt het glucosegehalte van het bloed
glycogeen
polysacharide, opgebouwd uit glucose-eenheden. Glycogeen wordt als reservestof opgehoopt in bijvoorbeeld spier- en levercellen
grijze stof
gedeelte in het centrale zenuwstelsel(hersenen en ruggenmerg) waar zich de cellichamen van zenuwcellen bevinden. Grijze stof geeft het weefsel een grijze kleur
groeihormoon
hormoon dat de groei bevordert, door de lengtegroei van de botten te stimuleren. Het groeihormoon wordt afgescheiden door de hypofyse
hersenstam
gedeelte van de hersenen, gelegen tussen grote hersenen en ruggenmerg. De hersenstam bevat centra voor het autonome zenuwstelsel, is de verbinding tussen hersenen en ruggenmerg. De reflexen van hoofd en hals lopen via de hersenstam.
homeostase
het constant houden van het interne milieu van een organisme
hoornvlies
doorzichtige voortzetting van het harde oogvlies aan de voorkant van het oog
hormonen
stof die door klieren wordt afgescheiden in het bloed, die invloed heeft op de werking van bepaalde organen, de doelwitorganen
hormoonspiegel
de concentratie van een hormoon in het bloed
hypofyse
hypofyse of hersenaanhangsel is een hormoonklier onder aan de hersenen, die in verbinding staat met de hypothalamus en o.a. stimulerende hormonen afscheidt. Stimulerende hormonen stimuleren de werking van andere hormoonklieren.
hypothalamus
gedeelte van de tussenhersenen. De hypothalamus staat in verbinding met de hypofyse en regelt door de afscheiding van neurohormonen de werking van de hypofyse
impuls
impuls of actiepotentiaal is een voortbewegende omkering van de elektrische lading langs het membraan van een zenuwcel(uitloper)
impulsfrequentie
het aantal impulsen per tijdseenheid die door een zenuwcel wordt voortgeleid
impulssterkte
de grootte van de verandering in elektrische lading van het celmembraan
inhibitie
remming van een zenuwcel door een andere zenuwcel. De remming hangt samen met de werking van neurotransmitters die de overdracht van een actiepotentiaal via de synaps (de verbinding tussen twee zenuwcellen) beinvloeden.
inhibiting hormonen
zorgen ervoor dat de endocriende cellen in de adenohypofyse geen hormonen meer produceren
innervatie
het voorzien van een orgaan met zenuwen
insuline
hormoon, afgescheiden door de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier, dat de doorlaatbaarheid van celmembranen voor glucose verhoogt en dus het glucosegehalte van het bloed verlaagt
kegeltje
een van de twee soorten zintuigcellen in het oog. Kegeltjes zijn gevoelig voor kleur. Er zijn drie typen kegeltjes
kleine hersenen
deel van hersenen dat bewegingen coordineert en het evenwicht handhaaft
merg
het centraal gelegen deel van een orgaan, bijv. niermerg, merg van de stengel
motorisch eindplaatje
het contactpunt van een uitloper van een motorische zenuwcel met een spiervezel
motorische eenheid
alle spiervezels die via motorische eindplaatjes in verbinding staan met 1 bewegingszenuwcel
myelineschede
isolerende laag om uitlopers van zenuwcellen
natrium-kaliumpomp
Eiwit dat mbv energie natriumionen de cel uit en kaliumionen de cel in transporteert
negatieve terugkoppeling
een vorm van terugkoppeling waarmee een proces negatief wordt be•nvloed tot eventueel de oorspronkelijke waarde weer is bereikt. 
netvlies
binnenste laag van het oog, bestaande uit pigmentcellen, zintuigcellen en zenuwceluitlopers
neuriet
uitloper van een zenuwcel die impulsen van het cellichaam af geleiden (= axon)
neurohormoon
hormoon dat is gevormd door een neuron (zenuwcel)
neurohypofyse
hypofyseachterkwab
neuron
zenuwcel
neurosecretie
wanneer hormonen door neuronen worden gevormd
neurotransmitters
stof die door zenuwcellen in de synapsspleet wordt afgescheiden en de potentiaal van het postsynaptische membraan beïnvloeden. Neurotransmitters worden bij het presynaptische membraan afgescheiden als daar impulsen aankomen.
optisch chiasma
de kruising van de uitlopers van beide oogzenuwen
orthosympatisch zenuwstelsel
ook wel sympatisch genoemd; deel van het autonome zenuwstelsel, dat de organen zodanig beïnvloedt dat het lichaam arbeid kan verrichten. Orthosympathicus is antagonistisch (=tegenovergestelde) aan de parasympathicus.
oxytocine
hormoon dat door de achterkwab van de hypofyse wordt afgescheiden en dat bij de geboorte de weeën opwekt en de melksecretie op gang brengt
parasympatisch zenuwstelsel
het deel van het autonome stelsel dat het lichaam in rust brengt
perifere zenuwstelsel
de zenuwen buiten het centrale zenuwstelsel
prikkel
invloed uit het milieu op een organisme
prolactine
hormoon dat rol speelt bij vergroten van melkklieren en ook de melkproductie stimuleert
pupilreflex
reflex waarbij de pupil afhankelijk van de lichthoeveelheid vernauwd of verwijd wordt
receptoren
een cel die gespecialiseerd is in het opnemen van specifieke prikkels en opwekken van impulsen onder invloed van de prikkels. De term receptor wordt ook wel gebruikt in de zin van receptoreiwit of receptormolecuul.
reflex
eenvoudige type van gedrag waarbij een bepaalde prikkel vrijwel zonder vertraging een bepaalde reactie teweegbrengt. Dus een snelle vaste onbewuste reactie op een prikkel, bewustwording kan later volgen.
reflexboog
de weg die impulsen bij een reflex afleggen. Een reflexboog bestaat uit een receptor, een sensorisch neuron, een deel van het centrale zenuwstelsel, motorische neuronen, en effectoren.
refractaire periode
periode waarin een zenuwcel niet of minder goed in staat is een nieuwe impuls voort te geleiden
repolarisatie
ontlading en herlading van de cellen
rodopsine
staafjesrood, het lichtgevoelige pigment in staafjes 
ruggenmerg
deel van het centrale zenuwstelsel dat zich binnen de wervelkolom bevindt
rustpotentiaal
het verschil in lading tussen de binnen- en buitenzijde van het celmembraan van zenuwcellen als ze geen impulsen voortgeleiden
saltatoire impulsgeleiding
sprongsgewijze impulsgeleiding
schakelcel
zenuwcel die geheel binnen het centrale zenuwstelsel ligt. Dit neuron geleidt impulsen van de ene zenuwcel naar de andere zenuwcel
schildklier
tegen het strottenhoofd gelegen hormoonklier, die schildklierhormoon, thyroxine produceert
schors
weefsel dat aan de buitenzijde van een orgaan ligt, bijv. nierschors of hersenschors
signaalcascade
een signaal wordt via meerdere schakels in de cel doorgegeven
spinale ganglia
ruggenmergszenuwknopen; deze verdikking is veroorzaakt door een opeenhoping van cellichamen van gevoelszenuwcellen
staafje
staafvormige lichtgevoelige zintuigcel in het netvlies, die een rol speelt bij het zien bij weinig licht. Staafjes hebben een lage drempelwaarde en liggen rondom de gele vlek.
stereoscopie
het kijken met twee ogen en daardoor diepte zien
summatie
het bij elkaar optellen van depolarisaties van meerdere axonuiteindes
synaps
spleet tussen het uiteinde van een axon en een doelwitcel, waar impulsen worden doorgegeven
terugkoppeling
verschijnsel dat een proces wordt beïnvloed door zijn eigen resultaat. Als de invloed remmend is spreekt men van negatieve terugkoppeling, als de invloed stimulerend is spreekt men van positieve terugkoppeling.
thalamus
deel van de hersenstam dat in verbinding staat met de grote hersenen
thyroxine
door de schildklier gevormd hormoon dat invloed heeft op de stofwisseling
triceps
armstrekspier
TSH
hormoon, gevormd door de voorkwab van de hypofyse, dat de schildklier stimuleert
verziend
het alleen in de verte kunnen zien, te compenseren met positieve lenzen
witte stof
weefsel aan de buitenkant van het ruggenmerg en de binnenkant van de grote hersenen. In de witte stof liggen veel gemyeleiniseerde zenuwvezels
zenuw
bundel met uitlopers van zenuwcellen, omgeven door een laag bindweefsel