Index biologiepaginaindex vwo 5 biologie

gedrag beweging biologie voor jou vwo 5

 
info biologiepagina uitleg biologie oefenen biologie bestanden biologie computer pc les biologie

 

Accommodatie instelling van ogen op ver of dichtbij zien, zodat de beelden scherp op het netvlies komen
Adequate prikkel prikkel, die bij een zintuig past. Voor deze prikkel is de drempelwaarde van het zintuig het laagst
Ambivalent gedrag  Een voorbeeld van conflictgedrag. Gedrag dat is samengesteld uit handelingen van twee of meer gedragssystemen.
Antagonist Spier (of ander orgaan) waarvan de werking tegengesteld is aan een andere spier (of ander orgaan)
Antropomofisme  Toeschrijven van menselijke gevoelens en beweegredenen aan dieren 
Balts  Een voorbeeld van sociaal gedrag. Gedrag dat aan de paring vooraf gaat en dat de bereidheid tot paring vergroot. Voorbeeld Balts stekelbaars 
Bijziend het alleen dichtbij kunnen zien - te compenseren met negatieve lenzen
Blinde vlek plaats waar de oogzenuw het netvlies verlaat en waar geen kegeltjes of staafjes voorkomen. De blinde vlek bevindt zich aan de neuszijde van de gele vlek
Broedzorg Gedrag uit het dierenrijk waarbij één of beide ouders op een bepaalde manier voor hun nageslacht zorgt
Bronst Bereidheid tot paring bij zoogdieren
Conditionering  Een leerprocestype. Een bepaald gedrag wordt geleerd door ´beloning´ of ´straf´. Voorbeelden: Trial and error, Dresseren, Geconditioneerde reflex 
Convergeren het naar elkaar toe bundelen van licht door een bolle/postieve lens
Cultuur Het verschijnsel dat individuen binnen een groep vergelijkbaar gedrag vertonen
Divergeren het spreiden van licht door een holle/negatieve lens
Drempelwaarde  Minimale sterkte van een prikkel die effect heeft 
Dresseren  Een voorbeeld van conditionering. Dieren wordt geleerd bepaald gedrag (op commando) uit te voeren. 
Erfelijk gedrag Gedrag dat is aangeboren en niet is aangeleerd
Ethogram  Een objectieve beschrijving van de verschillende typen handelingen van een diersoort 
Ethologie  Natuurwetenschappelijke studie van het gedrag = Gedragsleer 
FFF situaties  Fright Flight & Fight situaties, oftewel dreig-vlucht-aanvalsituaties waarin conflicten kunnen ontstaan 
Fotoreceptor zintuigcel gevoelig voor licht
Gedrag  Alle waarneembare activiteiten van een dier of een mens. Gedragingen komen tot stand door de werking van spieren of klieren (effectoren). Gedrag is een reactie (respons) van een dier of een mens op prikkels. Gedrag wordt bepaald door erfelijke factoren en leerprocessen.  
Gedragselement (= handeling)  Een afzonderlijke handeling van een dier - het gedrag kan worden ontleed in min of meer vaste elementaire patronen van beweging en houding. Bijv. likken, springen, staartzwaaien 
Gedragsketen  Opeenvolging van handelingen waarbij het effect van de ene handeling leidt tot een volgende handeling. Voorbeeld Balts stekelbaars 
Gedragssysteem  Groepen van samenhangende handelingen. Gedrag is georganiseerd in gedragssystemen. De handelingen in een gedragssysteem hebben meestal een gemeenschappelijk doel en volgen elkaar vaak op in een vaste volgorde . 
Gele vlek gedeelte van het netvlies, waarmee het scherpst kan worden gezien
Gevoelige periode  Periode, waarin een bepaald gedrag gemakkelijk kan worden aangeleerd 
Gewenning  Een leerprocestype. Een bepaalde reactie op een prikkel wordt afgeleerd bij herhaling van die prikkel . Voorbeeld: Een muis reageert niet meer op een hard geluid na herhaaldelijke toediening van dat geluid 
Hoornvlies doorzichtige voortzetting van het harde oogvlies aan de voorkant van het oog
Imitatie  Leren door het gedrag van soortgenoten na te doen (nabootsing). Voorbeeld : Jonge vogels leren de soortspecifieke zang van oudere soortgenoten 
Imponeergedrag  Een voorbeeld van gedrag dat een functie heeft bij het vaststellen van een rangorde binnen een groep. Gedrag waarbij een dier zich zo groot en indrukwekkend mogelijk maakt. Voorbeeld: Een chimpansee stampt op de bodem en maakt loeiende geluiden 
Inprenting  Een leerprocestype. Iets kan alleen worden geleerd in een bepaalde, korte levensperiode (de gevoelige periode). Bij mensen is deze periode tot 1 1/2 jaar. Voorbeeld: Het leren herkennen van ouders of soortgenoten bij veel diersoorten 
Instinct Een soortspecifiek en erfelijk vastgelegd gedragspatroon, waarbij ervaring of leren geen rol speelt
Intelligentie / Leervermogen Het vermogen van een dier of mens tot effectieve gedragsverandering
Inwendige factoren  Motiverende factoren bepalen de kans dat een bepaald gedrag wordt uitgevoerd. Voorbeeld: honger en dorst 
Inzicht  Een leerprocestype. In een onbekende situatie wordt de oplossing van een probleem gevonden door verschillende vroeger opgedane ervaringen te combineren . Voorbeeld: Een aap leert kisten op elkaar te stapelen om bij hoog hangende bananen te kunnen komen 
Kegeltje een van de twee soorten zintuigcellen in het oog. Kegeltjes zijn gevoelig voor kleur. Er zijn drie typen kegeltjes
Klassiek conditioneren / geconditioneerde reflex  Een leerprocestype. Een prikkel veroorzaakt een bepaalde reflex die oorspronkelijk niet door die prikkel werd veroorzaakt. Voorbeeld: Een hond scheidt speeksel af bij het horen van een bepaald geluid, nadat de hond een aantal malen voedsel heeft gekregen voorafgegeaan door dat geluid. 
Motivatie  Gedrag wordt veroorzaakt door inwendige en uitwendige factoren. De bereidheid (drang) tot het verrichten van een bepaald gedrag. De motivatie wordt beïnvloed door het 1) hormoonstelsel en het zenuwstelsel 2) Abiotische factoren (temperatuur, daglengte). Voorbeelden: Honger en dorst (voedingsdrang), Voortplantingsdrang. 
Netvlies binnenste laag van het oog, bestaande uit pigmentcellen, zintuigcellen en zenuwceluitlopers
Normen Gedragsregels waarvan veel mensen vinden dat je je eraan moet houden
Objectief Alleen waargenomen feiten; geen meningen of interpretaties van de waarnemer
Omgericht gedrag  Een voorbeeld van conflictgedrag. Conflictgedrag waarbij de agressie wordt gericht op iets anders dan de soortgenoot. Voorbeelden: Grastrekken door een zilvermeeuw bij het verdedigen van zijn territorium . Of een mens slaat met zijn vuist op tafel i.p.v. tegen een tegenstander 
Operant conditioneren  Een leerprocestype. Het effect van gedrag heeft invloed op de frequentie waarmee het gedrag (de operant) plaatsvindt. Voorbeeld: In een Skinner-box neemt de frequentie waarmee een rat op een hefboom drukt toe, als de rat daardoor voer krijgt.
Optisch chiasma de kruising van de uitlopers van beide oogzenuwen
Overspronggedrag  Een voorbeeld van conflictgedrag. Bij een conflict tussen twee gedragssystemen wordt gedrag uit een derde gedragssysteem vertoond. Voorbeeld: Zandhappen (nestbouwgedrag) door een stekelbaarsmannetje bij het dreigen 
Pikorde  Een voorbeeld van gedrag dat een functie heeft bij het vaststellen van een rangorde binnen een groep. Bij kippen onstaat door pikgedrag een rangorde van de meest dominante hen naar de minst dominante hen. 
Prikkel Invloeden uit het milieu op het organisme
Protocol  Een lijst van achtereenvolgens waargenomen handelingen (gedragselementen) van een dier 
Pupilreflex reflex waarbij de pupil afhankelijk van de lichthoeveelheid vernauwd of verwijd wordt
Reflex Eenvoudige vorm van gedrag waarbij een bepaalde prikkel vrijwel zonder vertraging (buiten de grote hersenen om) een bepaalde reactie teweegbrengt. 
refractaire periode periode waarin een zenuwcel niet of minder goed in staat is een nieuwe impuls voort te geleiden
Respons Reactie van spieren of klieren 
Rodopsine staafjesrood, het lichtgevoelige pigment in staafjes 
Rolgedrag Gedrag dat anderen van iemand verwachten in een bepaalde situatie
Signaal  Handeling bij sociaal gedrag die als prikkel werkt voor de volgende handeling van een soortgenoot. Door een signaal is communcatie tussen soortgenoten mogelijk. Bij de balts van stekelbaarsjes is de zigzagdans van het mannetje voor het vrouwtje het signaal om de baltshouding aan te nemen 
Sleutelprikkel  Prikkel die een doorslaggevende rol speelt bij het veroorzaken van een bepaald gedrag. De rode snavelvlek bij meeuwen is de sleutelprikkel voor het pikgedrag van de jongen 
Sociaal gedrag  Gedrag van soortgenoten ten opzichte van elkaar . Voorbeelden: Imponeergedrag, Verzoeningsgedrag, Balts, Territoriumgedrag, Conflictgedrag, Ambivalentgedrag, Overspronggedrag, Omgericht gedrag 
Staafje staafvormige lichtgevoelige zintuigcel in het netvlies, die een rol speelt bij het zien bij weinig licht. Staafjes hebben een lage drempelwaarde en liggen rondom de gele vlek.
Staten Samenlevingsvorm bij bepaalde soorten insecten; Grote populaties met een sterke taakverdeling
Supranormale prikkel / supernormale prikkel  Prikkel die effectiever is bij het veroorzaken van een bepaald gedrag dan de normale sleutelprikkel. Voorbeeld: Een potlood met een rode vlek veroorzaakt een sterke pikgedrag bij meeuwenjongen dan de rode snavelvlek van een ouder.
Territoriumgedrag  Een voorbeeld van sociaal gedrag. Gedrag met als functie het afbakenen van een territorium en het verdedigen ervan tegen binnendringende soortgenoten. Voorbeeld: Aanvallen, Vluchten, Dreigen 
Trial and Error  Een leerprocestype. Een vorm van conditionering waarbij een dier proefondervindelijk leert. Voorbeeld: Een insectenetende vogel vermijdt alle zwart-oranje gekleurde rupsen, na enkele keren de vieze smaak van een zwart-oranje rups te hebben geproefd.
Verziend het alleen in de verte kunnen zien, te compenseren met positieve lenzen
Verzoeningsgedrag  Een voorbeeld van gedrag dat een functie heeft bij het vaststellen van een rangorde binnen een groep. Gedrag van een ondergeschikt dier ten opzichte van een dominante soortgenoot. Voorbeeld: Het ´presenteren´ van het achterste bij bavianen. 
Waarden Uitgangspunten die mensen gebruiken bij de inrichting van hun leven