Index biologiepaginaindex vwo 6 biologie

vwo 5 planten biologie voor jou

 
info biologiepagina uitleg biologie oefenen biologie bestanden biologie computer pc les biologie

 

Absorptie is het fysisch verschijnsel dat de energie van een systeem, zoals geluidsgolven, deeltjes en elektromagnetische straling, door een ander systeem geheel of gedeeltelijk wordt opgenomen en omgezet in een andere energievorm
Adhesie in de natuurkunde is adhesie de onderlinge aantrekkingskracht tussen ongelijke moleculen zonder dat er sprake is van een chemische binding
ADP adenosinedifosfaat, een stof waarvan elk molecuul twee fosfaatgroepen bevat die gebonden zijn met een energierijke binding. Uit ADP ontstaat door toevoeging van anorganisch fosfaat en een bepaalde hoeveelheid energie ATP. Hydrolyse van ATP levert anorganisch fosfaat, ADP en een bepaalde hoeveelheid energie. ADP speelt een grote rol in stofwisselingsprocessen.
Assimilatie de opbouw van organische moleculen uit kleinere moleculen (van anorganische stoffen of andere organische stoffen)
ATP adenosinetrifosfaat. Stof, waarvan elk molecuul drie fosfaatgroepen bevat die gebonden zijn door een energierijke binding. ATP ontstaat uit ADP door toevoeging van energie en anorganisch fosfaat. Het loskoppelen van de fosfaatgroep uit ATP levert vrije energie, die gebruikt wordt voor allerlei energieverbruikende processen in de cel.
ATP synthetase enzym verantwoordelijk voor de vorming van ATP
Bandjes van Caspari ringvormige verdikkingen in de celwanden van de endodermis. De endodermis ligt rondom de centrale cilinder in een jonge wortel. Bandjes van Caspari bestaan uit suberine, een kurkachtige stof die ondoordringbaar is voor water. Water en mineralen die de wortel binnen komen, moeten hierdoor de celmembranen en het cytoplasma van de endodermiscellen passeren. Deze cellen kunnen zo een regelende rol spelen bij de opname van mineralen.
Bastvaten transportkanalen in de bast, vooral bedoeld om suikers te vervoeren die gevormd zijn in het blad
Beperkende factor factor die de snelheid van een proces laag houdt
BPP bruto primiare productie; alle energie gevormd door de fotosynthese
Calvincyclus deelproces van de fotosynthese waarbij koolstofdioxide wordt gereduceerd met behulp van waterstof, afkomstig van NADPH2 en ATP, met als resultaat glucose. Waterstof en ATP zijn tijdens de lichtreactie ontstaan
CAM-planten een vorm van fotosynthese die bij een grote groep vetplanten voorkomt. Dit soort fotosynthese verloopt anders dan de fotosynthese bij niet- vetplanten (voorbeeld: de grassen). CAM planten sluiten overdag de huidmondjes en houden op deze manier het vocht bij zich. Tijdens de nacht openen ze de huidmondjes en kunnen ze CO opnemen.
Cambium is een weefsellaag in planten, vooral bekend van bomen en struiken, die altijd ten minste een cambium hebben. Het is een delingsweefsel, een van de weinige plaatsen in een plant waar nieuwe cellen gemaakt worden.
Cellulose polymerisatieproduct van glucose. Cellulose is een bestanddeel van de celwanden.
Chlorofyl groene kleurstof (bladgroen) in een chloroplast
Chloroplast bladgroenkorrels, hierin vindt fotosynthese plaats
Cisgenese het inbrengen van DNA m.b.v. recombinant DNA techniek dat afkomstig is van een organisme van dezelfde soort
Cohesie is de onderlinge aantrekkingskracht tussen gelijke moleculen zonder dat er sprake is van een chemische binding
Cuticula waslaagje
Donkerreactie deelproces van de fotosynthese waarbij koolstofdioxide wordt gereduceerd met behulp van waterstof en ATP. Waterstof en ATP zijn tijdens de lichtreactie ontstaan
Elektron een negatief geladen deeltje
Elektronentransportketen een keten van elektronentransporterende co-enzymen, waarbij elektronen van een hoog energieniveau naar een laag energieniveau gaan, zodat er energie vrij komt. Proces vindt plaats in mitochondriën en chloroplasten.
Endodermis binnenste cellenlaag van de schors (Schorsgrenslaag), vooral bij wortels. De endodermis is betrokken bij de selectieve opname van stoffen door de wortel.
Fosforylering het koppelen van een fosfaatgroep aan een stof
Foto-autotroof in staat tot fotosynthese, om daarbij uit anorganische stoffen organische stoffen te vormen
Fotorespiratie de reactie bij fotosynthese waarbij rubisco zuurstof bindt in plaats van CO2
Fotosynthese proces, waarbij water en koolstofdioxide met behulp van het zonlicht worden omgezet in zuurstof en glucose
Fotosysteem bij de lichtreacties van fotosynthese zijn twee zogenaamde fotosystemen betrokken, fotosysteem I en II. Een fotosysteem is in staat om lichtenergie om te zetten in chemische bindingen. Een fotosysteem is een zogenaamd integraal eiwitcomplex. Dit betekent dat het uit een groot aantal eiwitten en andere moleculen bestaat die met elkaar samenwerken. 
Gameten geslachtscellen
Grana stapeltje van thylakoiden in een chloroplast
Houtvaten transportkanaal voor water en zouten, soms ook voor organische stoffen. Bij het ontstaan van houtvaten worden de wanden tussen in elkaars verlengde liggende cellen opgeruimd, waarna de cellen sterven.
Huidmondjes openingen in de opperhuid van planten, bestaande uit twee sluitcellen rond een regelbare spleet. De huidmondjes dienen voor de gaswisseling.
Kinetische energie bewegingsenergie
Koolstofassimilatie de vorming van glucose uit koolstofdioxide en water m.b.v. energie. (Bijv. Fotosynthese)
Lichtreactie deelproces van de fotosynthese waarbij lichtenergie wordt gebruikt voor de vorming van ATP en de binding van waterstof aan een co-enzym. 
Meristemen het meristeem of plantaardig delingsweefsel bevindt zich op speciale plaatsen in de plant.
Mycelium schimmeldraden
NAD nicotineamide Adenine Dinucleotide, een co-enzym van de dissimilatie dat gemakkelijke waterstof opneemt en afstaat.
NADPH Nicotine Amide Dinucleotide Fosfaat, een co-enzym van de C-assimilatie, dat gemakkelijk waterstof opneemt of afgeeft
Non-disjunctie tijdens de meiose I gaat een paar homologe chromosomen naar dezelfde pool en komen samen terecht in een van de dochtercellen
NPP netto-primaire productie, alle energie gevormd door de fotosynthese, min de door dissimilatie van de plant gebruikte energie 
Ongeslachtelijke voortplanting vegetatieve voortplanting is een voortplantingsstrategie waarbij het nieuwe individu ontstaat uit een deel van het ouderindividu. Er vindt geen meiose en geen kernversmelting plaats. 
Pectine een tussencelstof, waarmee plantencellen aan elkaar plakken
Plasmide korte stukjes circulair DNA in sommige prokayoten
Polyploïdie chromosomen komen in de kern meer dan een paar voor, zoals 3n of 4n
Redoxsysteem complex van elektronenacceptoren en -donoren
Rubisco enzym tijdens de calvincyclus
Sacharose een disacharide waarvan elk molecuul bestaat uit een glucose-eenheid en een fructose-eenheid.
Sluitcel opvallend gevormde epidermiscel om een regelbare opening in de epidermis. De opening en sluitcellen vormen samen het huidmondje.
Stroma is in een plantaardige cel de dikke vloeistof die tussen de grana (stapels thylakoïdeschijven) zit in een chloroplast
Thylakoïd een thylakoïde is een aan het fosfolipidedimembraan gebonden compartiment in de chloroplasten 
Transgeen een transgeen organisme is een organisme dat een vreemd gen (een transgen) in zijn erfelijk materiaal draagt
Transgenese het inbrengen van DNA m.b.v. recombinant DNA techniek dat afkomstig is van een organisme van een ander soort
Vaatbundel verzameling houtvaten en bastvaten en ander weefsel in kruidachtige stengels en bladeren
Veredelen een groep planten onderling vergelijken, en de beste hieruit gebruiken voor vermeerdering. Als de gewenste eigenschappen wel aanwezig zijn, maar in twee verschillende planten, kan de veredelaar deze in één plant proberen te verenigen door de twee ouderplanten te kruisen.
Voortgezette assimilatie omzetting van producten van de koolstofassimilatie in andere organische stoffen
Waterpotentiaal is een maat voor de energietoestand van water in vergelijking met zuiver water en bepaalt de richting en beweging van het water
Weefselkweek een stukje weefsel wordt uit een plant gesneden en onder steriele omstandigheden opgekweekt tot nieuwe planten
Worteldruk druk in de houtvaten als gevolg van osmose door actief zouttransport door de endodermiscellen vanuit de wortelschors naar de houtvaten.
Wortelharen uitstulping van een epidermiscel van een wortel
Zeefplaat openingen in de dwarswanden van bastvaten
Zeefvat transportkanalen in de bast